Gaatje

Tandarts lamp

Na dertig jaar heb ik er één: een gaatje. De tandarts is welhaast verrukt. ‘Wanneer zou je kunnen?’ vraagt ze me direct na de constatering bij de halfjaarlijkse controle. ‘Maandagochtend komt meestal wel goed uit.’ Ik hoor het mezelf zeggen.

Een maandagochtendvulling.

Het is eind maart. Ondanks de vroege zonsopkomst, die de lente verraadt, zorgt de striemende oostenwind voor een gevoelstemperatuur van ver onder nul. Om twee minuten voor acht maakt ik mijn fietsslot vast aan het smeedijzeren hek van de praktijk. De praktijk zelf, een statig pand aan een voornaam plein in Haarlem.

In de wachtkamer is het ietwat chaotisch vanochtend. Ik ben de eerste. De stapels tijdschriften liggen er keurig bij, de ‘help uw tandarts’-posters hangen recht, maar –zo blijkt- ‘het systeem’ ligt er uit. De tandarts en haar twee assistentes, gedrieën in witte polo’s gekleed, staren naar een leeg beeldscherm.

Ze zullen toch moeten beginnen.

‘Goedemorgen, het is nog een beetje koud hier.’ word ik de behandelkamer in gedirigeerd. Ik mag vast gaan zitten op de stoel. Terwijl de tandarts wordt weggeroepen, staar ik voor een aantal minuten naar de tl-bak en tandartslamp vlak boven mij. Hypnotiserende vlakverdeling en een neon rand, zie ik. ‘Philips’ en ‘Siemens’, lees ik. De assistente loopt onderwijl rond. Ze trekt de nodige lades open om deze met metalen voorwerpen te vullen. Alsof ze de afwasmachine uitruimt.

‘Wil je een verdoving?’ vraagt de tandarts. Ik ben nog maar een half uur wakker dus bedank, bang om straks verschrikkelijk spijt te krijgen. De twee dames met mondkapjes buigen zich over mij heen. ‘We gaan boren.’

In korte tijd verdwijnen boorkoppen, beitels en spiegels in mijn linker mondhoek. De assistente doet haar best overtollig speeksel te verwijderen. Daarna volgen respectievelijk watjes, staafjes, pincetten en ander metalen hulpmiddelen in mijn mond. Als betoverd door de tl-balk houd ik vol. ‘Deze is M-A-D-O’ hoor ik de tandarts nu in geheimtaal tegen haar assistente.

‘Maandagochtend?’, ‘Zou ik uit mijn mond ruiken?’

De telefoon in de wachtkamer gaat over. ‘Ah, er is weer verbinding.’ constateert de tandarts. Na een korte sessie met tangetjes en een enorme soldeerbout, bediend door de assistente, is het klaar.

Klaar. Ik mag gaan. Maar niet voordat de tandarts controleert of onze volgende afspraak al staat.

Nou en of. In september.

‘Fijne zomer!’ wenst de tandarts mij toe. Ik verdwijn weer in de kou.


Ambassade

Ik wil naar Vietnam deze zomer. Dan heb je een visum nodig. Althans, je kunt ook een aanbevelingsbrief via een obscure website organiseren en ter plaatse een visum afhalen. Wachttijden, zogenaamde stempelkosten en onverwachte douaniers incluis waarschijnlijk. Op naar Den Haag dan maar. De Vietnamese ambassade.

‘Yes, we al’ opened between 2 and 5 pm, a visa takes you thil’ty minutes.’ Wanneer ik om kwart over twee mijn auto aan het Nassauplein parkeer, zie ik de rode vlag van de Socialistische Republiek al wapperen. Rode vlag, gele ster. Ik gooi twee euro in de parkeermeter. Anderhalf uur moet voldoende zijn.

Ik ben niet de enige bezoeker vandaag. Twee meiden, ongetwijfeld net klaar met hun vwo-examen staan te twijfelen voor de ingang. Het is immers zo druk binnen. Ik kan het visum niet anders dan vandaag regelen. Drukke weken voor de boeg. Ik schuifel langs hen heen. Ze spelen met hun haar.

Binnen, een plastic stoel of twintig, systeemplafond met sporen van lekkage en een kaart van Zuidoost-Azië. Een wachtkamer. Ik zit al, wanneer ik zie dat er zo’n rode bonnetjesautomaat staat zoals bij de slager. Nog net voordat de volgende reiziger zich meldt, trek ik nummer vierenveertig. ‘Twenty thl’ee,’ roept een dame achter de glaswand. Nog even geduld dus.

Men praat over het regenseizoen dat aanstaande is, boottochten naar Ha Long Bay en of de route van zuid naar noord of juist van noord naar zuid zou moeten worden gevoerd. Het duurt lang en ik ben op zoek naar lijm. Pasfoto’s dienen namelijk aan het aanvraagformulier bevestigd te zijn. Indien los, geen visum.

Ik vind een Prittstift op een houten plank langs de wand. Behalve wat aanvraagformulieren en een schaar ook enkele vergeelde folders over Vietnam. Ik plak mijn pasfoto op en speel wat met het bonnetje in mijn hand. Ik zit al een uur te wachten. ‘Foul’ty foul.’ Ik overhandig haar de formulieren en het geld. Ik krijg een nummer terug: ‘Thl’ee.’ Half uurtje wachten.

‘Ga je ook naar Vietnam?’ vraagt een medewachter. Ik heb niet zo zin om te praten, maar knik bevestigend. Hij spreekt een ander aan: ‘Ben je vaker in Vietnam geweest?’. Hij wel. Hij is al eens vier weken naar het noorden geweest. Nu gaat hij voor zes weken, waarvan twee weken naar China. Hij heeft net zijn opleiding acupunctuur afgerond en zal in Vietnam, bij een bevriend stel, een stage doorlopen. Hij spreekt ook een beetje Vietnamees en vraagt of hij zijn mobiel mag opladen aan de ambassademedewerker. Het mag.

Twee dames vragen zich af waar Vietnam eigenlijk ligt en staren naar de kaart. Ik twijfel of ik de parkeermeter bij zal vullen. Nog drie minuten. Beweging achter balie. Niet voor mij. De volgende keer is het raak: ‘Numbel’ Thl’ee’.

Klaar om te gaan.