Samen apart

Red Cycling Short

Zij is halverwege de dertig. Hij is minstens tien jaar ouder. Zij is lang, slank, blond en heeft een Limburgs accent. Hij is niet van hier, heeft lang golvend bruin haar, ietwat grijs op de slapen en geschoren benen. Daarover later meer. Zij is meestal van het initiëren, het organiseren. ‘Zullen we even afwassen?’ of ‘Zullen we samen daar naartoe?’ Een gezonde mix tussen dat wat moet gebeuren en samen ondernemen. Het is tenslotte vakantie.

Hij zit ’s ochtendsvroeg in zijn witte longsleeve voor zijn tent. Een kop koffie en de krant. Daarna, bij de eerste zonnestralen, in strak zwart wit hemd met routekaart. Fietsroutes van Zuid-Limburg. Een hand gaat nonchalant door het haar. Meestal is dat het moment dat zij, dán nog goed van zin, de tent uitkomt. Als ze hem dan zelfgenoegzaam ziet zitten, in gedachten al op racefiets door heuvelland gaande, is de pret er snel af.

Omdat ze in de buurt wonen, had ze eergisteren haar ouders uitgenodigd. Heel vaak hadden ze hun ‘schoonzoon’ nog niet ontmoet. Dat was duidelijk. Het waren vooral moeder en dochter die in dialect praatten. Vader bleef zwijgzaam. Had misschien liever een Limburgse schoonzoon gezien, of gewoon een met haar op de kuiten. Het gesprek bleef wat oppervlakkig, ‘niveau kennismaken’. ‘Maurice heeft vandaag weinig kilometers kunnen maken’ vertelde ze haar ouders nog die rond tien uur opstapten. Daarna viel het ijzig stil tussen de twee achterblijvers.

De volgende ochtend leek het erop ‘dat hij weer mocht’. In alle vroegte klikte zijn schoenen al vast in de pedalen. Een rode fietsbroek en een wit tricot. Energierepen in de achterzak, twee bidons met water in het frame. Zij keek niet blij toen hij wegreed, maar het was nu eenmaal zo afgesproken.

Pas laat in de middag keerde hij terug. Als snel vertrokken ze samen van het kampeerterrein. Misschien uit eten in Maastricht? Een laatste lijmpoging om er samen het beste van te maken?

Maar vanochtend zit hij alleen. Alleen aan zijn kop koffie en de krant. Daarna de routekaart en de hand door het haar, maar van haar ontbreekt elk spoor. Hij loopt de tent in en keert terug in stemmig zwart wielertenue. Nog even de tijd nemen om armen en benen in te smeren met zonnebrandolie. Een gesoigneerd uiterlijk zoals een goed renner betaamt.

Het vastklikken in de pedalen en weg is hij. De tent alleen achterlatend. Alleen de rode fietsbroek van gisteren, als stille getuige, wapperend aan de waslijn.

Herinnering aan toch een week samen. Apart.


Remark

‘Here is your room key, Sir.’ ‘Thank you, I do have a remark though’, klinkt het in eloquent Engels. Slechts ergens in de verte een Nederlands accent. Hij is bruinverbrand, draagt een roze hemd, snor en sandalen en is een centimeter of tien korter dan zijn vrouw. De informatiemap op hun kamer maakt melding van veiligheid, onder het kopje ‘security’. Alleen het vluchtplan ontbreekt. Welkom in Cambodja. De jongen bij de receptie bedient hen keurig van repliek. Het duurt zijn vrouw, rode bril en piekerig grijs haar, te lang. ‘Is there someone who speaks better English?’ De baas wordt gebeld.

Het zal wel.

De volgende ochtend nemen wij bijna vanzelfsprekend plaats naast het zwembad. Vers mangosap met uitzicht op een kitscherige waterval vol plastic loopvogels. Dan ook nog een ei, gebakken, gekookt of geroerd op bestelling. Niet veel later meldt het stel zich beneden. Ze hebben de (nood)uitgang kunnen vinden. Naast dat zwembad zitten is maar niets. Ze besluiten binnen plaats te nemen. Terwijl ik mijn vers gebakken broodje met roerei beleg, zie ik haar zure blik over het fruitbuffet gaan.

‘Wie heeft alle ananas opgegeten?’

Niet veel later staat Sanet voor het hotel te wachten. Althans, hij ligt heerlijk uit te slapen op de kussens in de open cabine achter zijn motor. Direct vrolijk als hij wakker wordt, schiet hij overeind om de motor aan te trappen. Klaar voor sight seeing. Maar niet voordat het stel zich buiten het hotel waagt. Vanuit de deuropening werpen ze keurende blikken op de tientallen tuk tuk chauffeurs voor het hotel. Ze besluiten te gaan lopen.

Vast veiliger.

Na een prachtige dag genieten we op het dakterras van het hotel, zelfs onder een donkere moessonlucht. Jacuzzi, uitzicht op de Mekong en het koninklijk paleis en een enorme fles bier voor nog geen $1. Het stel meldt zich opnieuw. Beiden in een schmutzige hotelbadjas. Boeken onder de arm. Zij Mannen die vrouwen haten van Larsson, hij een pil van Ludlum. Kritische blikken op het bad en over de rand van het balkon. Zij heeft het liftknopje alweer ingedrukt, voor de reis naar beneden.

Een brandtrap lijkt te ontbreken.

Na het sluiten van de liftdeuren breekt de zon door. Een dakterras in Phnom Penh, een mooie plek om te sterven.


Facebook

Met z’n vieren zijn ze. Vader, moeder, dochter en zoon. Modelgezin. Ze zitten te wachten. Op het vliegtuig naar Bangkok. Als geste aan de reizigers biedt de luchthaven van Siem Reap gratis internet aan. Vier stoffige, langzame computers in de hoek van het naar Aziatische begrippen moderne vliegveld. Windows 95. Ik probeer het nieuws binnen te halen. Er laadt iets. De blauwe balk onderin het scherm wordt heel traag net iets breder.

Moeder staat op. Ze komt naast mij staan. Onze computerschermen zijn door blauwe bordkartonnen wanden van elkaar gescheiden. Ze gaat in het kaki gekleed, een hip dun montuurtje op de neus en ondanks haar jonge huid schat ik haar achter in de vijftig. Ze komt naast mij staan en probeert in te loggen op Facebook. Omdat het een publieke computer is, begint deze allerlei vragen te stellen. Haar dochter, overduidelijk in schaamte, voegt zich bij haar. ‘Wat doe je?’ vraagt ze bijna verontwaardigd.

Moeder scrollt inmiddels langs vakantiefoto’s van haar vriendinnen. Eveneens getrouwde vrouwen, want lange dubbele achternamen door een streepje gescheiden van elkaar. Kiekjes van Franse zwembaden komen langs: vrolijke blonde opgeschoren koppies op een rood luchtbed, half onder water geduwd. Dit terwijl zij net vier dagen met het gezin door stoffige Cambodjaanse tempels heeft gestruind. Vind ik leuk.

Ze heeft er genoeg van en klikt op het kruisje rechtsboven op haar scherm. Ze voegt zich bij haar gezin. Zoon, begin twintig wellicht wat jonger, is druk met zijn iPhone. Dochter, puber, gebogen over haar boek. Haar man, grijze haardos, afritsbroek, vleeskleurige sokken in in instapmodel bergschoenen en leesbril op het puntje van zijn neus. Zijn boek op schoot. Hij kijkt nauwelijks op als zijn vrouw hem bijpraat. Zoon en dochter tonen zich evenmin geïnteresseerd.

Ze pakt haar boek erbij. Een dik boek. De woorden kunnen haar aandacht niet trekken. Ze kijkt met een vertwijfelde wijsvinger aan haar lippen de inmiddels steeds vollere vertrekhal door. Een blik van ‘wanneer gaan we’.


Reisgenoot

Een reisgenoot is een groot woord. Iemand die dezelfde route aflegt. Zoiets. Maar het valt op. Met landgenoten ongewild nog net iets lastiger. Wellicht al vanaf de tweede keer dat je elkaar treft. Vanaf de derde keer wordt het écht eigenaardig. Aftasten of je met elkaar spreekt, hooguit groet, of negeert. Dat zijn zo ongeveer de smaken.

De Vastgoedfraude ligt op zijn tafeltje. Jaar of dertig, buikje, hoornen bril. Ondanks de hitte op de luchthaven van Siem Reap gaat hij opnieuw gekleed in longsleeve shirt en lange broek. Hij drinkt een cola light en kijkt nauwelijks op van het schermpje van zijn iPhone. Zijn vriendin daarentegen kijkt schrikkerig om zich heen. Gisteren kwam ik hem toch ook al tegen? Bij een van de vele tempels van Angkor Wat. Hij had er aardig de vaart in. Nog geen vijf minuten bleef hij staan bij de tempel. Ik gunde mezelf meer tijd zaken op mij in te laten werken. Hij vertelde zijn vriendin kort op bepalende wijze over de tempel en wees aan: ‘Die olifant is daar.’ Kennis uit de reisgids onder zijn arm.

‘I’m very afraid of flying,’ hoor ik zijn vriendin zeggen als ze het vliegtuig instapt. De Laotiaanse stewardess knikt begripvol. Weet ze dat vast, als er straks paniek uitbreekt. Het valt mee. Met grote ogen kijkt ze naar buiten bij het opstijgen. Vervolgens strak voor zich uit. Hij leest stoïcijns verder in zijn non-fictie. Op het vliegveld van Vientiane staat de chauffeur van het hotel op ons te wachten. Bood aan ons op te halen. We laten de reisgenoot achter ons…

Tot het ontbijt, de volgende dag. Zij is er niet. Hij wel. Verse longsleeve, schone lange broek. Haren nog nat van het douchen. ‘Verdomme,’ hoor je hem denken, ‘Zij weer!’ Hij kiest voor negeren en verschuilt zich achter zijn Lonely Planet. Tijdens de lunch betrap ik mij op soortgelijk gedrag. Ik zie ze langs de bakkerij lopen en schuif onderuit op mijn stoel. Ze lopen voorbij.

De volgende dag reizen we per bus richting Luang Prabang. Helse rit, maar diner en zacht bed bij aankomst maken veel goed. De volgende dag is heerlijk; besluiten de middag bij het zwembad door te brengen. We drinken wat, totdat de reisgenoot binnenwandelt. Nieuwe houthakkersblouse en rode broek. Hij schrikt en zakt onderuit aan zijn tafeltje. Hij heeft voor twee nachten geboekt, maar wil wellicht langer blijven. Dat het hotel is volgeboekt doet er wat hem betreft niet toe. ’s Avonds zal blijken wie de komende dagen onze buurman is.

Alsof het aan ons ligt. Hij draait een ander schema. Pas als wij ontbeten hebben, gaat hij. Onze kamerdeur sluit, die van hem opent zich. Ik neem me voor het ijs te zullen breken. Het is niet nodig. Als we op de laatste ochtend nog een uurtje zon aan het zwembad meepakken zit hij buiten ons blikveld te ontbijten. Dat het half elf is en het ontbijt tot tien uur geserveerd wordt doet er blijkbaar niet toe. Zijn koffie gaat demonstratief mee naar de kamer. Zijn vriendin loopt langs ons richting rivier. Haar blik strak vooruit. Als wij douchen op de kamer barst de moesson los. Wanneer we met tassen richting balie lopen om uit te checken zie ik nog net zijn witte buikje in het zwembad verdwijnen.

De hoornen bril nog op.