Facebook

Met z’n vieren zijn ze. Vader, moeder, dochter en zoon. Modelgezin. Ze zitten te wachten. Op het vliegtuig naar Bangkok. Als geste aan de reizigers biedt de luchthaven van Siem Reap gratis internet aan. Vier stoffige, langzame computers in de hoek van het naar Aziatische begrippen moderne vliegveld. Windows 95. Ik probeer het nieuws binnen te halen. Er laadt iets. De blauwe balk onderin het scherm wordt heel traag net iets breder.

Moeder staat op. Ze komt naast mij staan. Onze computerschermen zijn door blauwe bordkartonnen wanden van elkaar gescheiden. Ze gaat in het kaki gekleed, een hip dun montuurtje op de neus en ondanks haar jonge huid schat ik haar achter in de vijftig. Ze komt naast mij staan en probeert in te loggen op Facebook. Omdat het een publieke computer is, begint deze allerlei vragen te stellen. Haar dochter, overduidelijk in schaamte, voegt zich bij haar. ‘Wat doe je?’ vraagt ze bijna verontwaardigd.

Moeder scrollt inmiddels langs vakantiefoto’s van haar vriendinnen. Eveneens getrouwde vrouwen, want lange dubbele achternamen door een streepje gescheiden van elkaar. Kiekjes van Franse zwembaden komen langs: vrolijke blonde opgeschoren koppies op een rood luchtbed, half onder water geduwd. Dit terwijl zij net vier dagen met het gezin door stoffige Cambodjaanse tempels heeft gestruind. Vind ik leuk.

Ze heeft er genoeg van en klikt op het kruisje rechtsboven op haar scherm. Ze voegt zich bij haar gezin. Zoon, begin twintig wellicht wat jonger, is druk met zijn iPhone. Dochter, puber, gebogen over haar boek. Haar man, grijze haardos, afritsbroek, vleeskleurige sokken in in instapmodel bergschoenen en leesbril op het puntje van zijn neus. Zijn boek op schoot. Hij kijkt nauwelijks op als zijn vrouw hem bijpraat. Zoon en dochter tonen zich evenmin geïnteresseerd.

Ze pakt haar boek erbij. Een dik boek. De woorden kunnen haar aandacht niet trekken. Ze kijkt met een vertwijfelde wijsvinger aan haar lippen de inmiddels steeds vollere vertrekhal door. Een blik van ‘wanneer gaan we’.


Reisgenoot

Een reisgenoot is een groot woord. Iemand die dezelfde route aflegt. Zoiets. Maar het valt op. Met landgenoten ongewild nog net iets lastiger. Wellicht al vanaf de tweede keer dat je elkaar treft. Vanaf de derde keer wordt het écht eigenaardig. Aftasten of je met elkaar spreekt, hooguit groet, of negeert. Dat zijn zo ongeveer de smaken.

De Vastgoedfraude ligt op zijn tafeltje. Jaar of dertig, buikje, hoornen bril. Ondanks de hitte op de luchthaven van Siem Reap gaat hij opnieuw gekleed in longsleeve shirt en lange broek. Hij drinkt een cola light en kijkt nauwelijks op van het schermpje van zijn iPhone. Zijn vriendin daarentegen kijkt schrikkerig om zich heen. Gisteren kwam ik hem toch ook al tegen? Bij een van de vele tempels van Angkor Wat. Hij had er aardig de vaart in. Nog geen vijf minuten bleef hij staan bij de tempel. Ik gunde mezelf meer tijd zaken op mij in te laten werken. Hij vertelde zijn vriendin kort op bepalende wijze over de tempel en wees aan: ‘Die olifant is daar.’ Kennis uit de reisgids onder zijn arm.

‘I’m very afraid of flying,’ hoor ik zijn vriendin zeggen als ze het vliegtuig instapt. De Laotiaanse stewardess knikt begripvol. Weet ze dat vast, als er straks paniek uitbreekt. Het valt mee. Met grote ogen kijkt ze naar buiten bij het opstijgen. Vervolgens strak voor zich uit. Hij leest stoïcijns verder in zijn non-fictie. Op het vliegveld van Vientiane staat de chauffeur van het hotel op ons te wachten. Bood aan ons op te halen. We laten de reisgenoot achter ons…

Tot het ontbijt, de volgende dag. Zij is er niet. Hij wel. Verse longsleeve, schone lange broek. Haren nog nat van het douchen. ‘Verdomme,’ hoor je hem denken, ‘Zij weer!’ Hij kiest voor negeren en verschuilt zich achter zijn Lonely Planet. Tijdens de lunch betrap ik mij op soortgelijk gedrag. Ik zie ze langs de bakkerij lopen en schuif onderuit op mijn stoel. Ze lopen voorbij.

De volgende dag reizen we per bus richting Luang Prabang. Helse rit, maar diner en zacht bed bij aankomst maken veel goed. De volgende dag is heerlijk; besluiten de middag bij het zwembad door te brengen. We drinken wat, totdat de reisgenoot binnenwandelt. Nieuwe houthakkersblouse en rode broek. Hij schrikt en zakt onderuit aan zijn tafeltje. Hij heeft voor twee nachten geboekt, maar wil wellicht langer blijven. Dat het hotel is volgeboekt doet er wat hem betreft niet toe. ’s Avonds zal blijken wie de komende dagen onze buurman is.

Alsof het aan ons ligt. Hij draait een ander schema. Pas als wij ontbeten hebben, gaat hij. Onze kamerdeur sluit, die van hem opent zich. Ik neem me voor het ijs te zullen breken. Het is niet nodig. Als we op de laatste ochtend nog een uurtje zon aan het zwembad meepakken zit hij buiten ons blikveld te ontbijten. Dat het half elf is en het ontbijt tot tien uur geserveerd wordt doet er blijkbaar niet toe. Zijn koffie gaat demonstratief mee naar de kamer. Zijn vriendin loopt langs ons richting rivier. Haar blik strak vooruit. Als wij douchen op de kamer barst de moesson los. Wanneer we met tassen richting balie lopen om uit te checken zie ik nog net zijn witte buikje in het zwembad verdwijnen.

De hoornen bril nog op.