Pauze

Eindelijk sneeuw en ook nog eens op een zondag. Wakker worden met het geluid van kinderen op straat, kraaiend van plezier, terwijl ik de slaap uit mijn ogen wrijf. Het is niet veel sneeuw, zie ik uit het raam dat uitkijkt op het park, maar precies genoeg voor een bal of pop. Wel snel zijn, bedachten ook de kinderen op straat zich, want de zon heeft er zin in vandaag. Mijn dochter en ik gaan erop uit voor een wandeling. Bijna twee is ze en net zo lang heeft ze moeten wachten op de eerste fatsoenlijke ontmoeting met dit wonderschone fenomeen. Ze vindt het maar koud, ze vindt het maar vreemd smaken die sneeuw, ze heeft geen zin om te lopen, ze maakt mij duidelijk haar te moeten tillen. Met plezier natuurlijk.

Aan de andere kant van het park loopt een jongen van een jaar of zeven. Zijn slee sleept hij verveeld achter zich aan.Ik kom hem tegen ter hoogte van het pad richting het station. ‘Ik mag maar tot hier van mijn moeder’, begint hij ongevraagd, ‘Ik woon aan de overkant bij de poort, ken je dat?’. Ik ken de poort niet. De poort blijkt vlakbij de school te zijn die ik wel ken. Wanneer ik informeer naar de sneeuwconditie haalt hij zijn schouders op, ‘Mwah, het zou eigenlijk wat meer moeten zijn, sleeën gaat net niet lekker’. We lopen met zijn drieën op richting de brug naar overkant. Hij waagt nog een poging op het hellende pad, maar de steentjes remmen hem teveel af. Ook de grashelling naast het pad werkt hem niet mee, teveel blaadjes. Hij baalt zichtbaar, had zich hier zo op verheugd. Op zijn verzoek bekijken we op mijn telefoon de weersvoorspelling van de komende dagen. Zon en wolken. ‘Misschien komt er wel sneeuw uit die wolken’, blijft hij hoopvol.

Ik vraag hem of hij naar de school gaat aan de overkant van het water. ‘Nee joh’, zegt hij, ‘ik ga naar de vrije school’. Hij vertelt mij dat de kinderen in de wijk, bij de poort, hem ermee pesten. Het maakt hem niets uit. ‘Dan zeg ik altijd dat zij maar twintig minuten pauze per dag hebben, terwijl ik de hele dag pauze heb.’ Hoor ik nu hem of zijn moeder? Wat maakt het uit. Bij navraag blijkt hij tussen alle vrije tijd door soms -heel stom- taal- en rekenlessen te moeten volgen, maar hij houdt ruim voldoende tijd over voor zijn pauzes en dagdromen. Mijmerend over een ruimschoots besneeuwd park, waar hij misschien zelfs verder mag sleeën dan het pad richting het station.


Haarlemse Bakker

Haarlemse_bakker_Logo

 

Toen we laatst de Haarlemse Bakker bezochten stond mevrouw erop de aangeschafte waar naar huis te tillen. De zak met gevulde koeken was behoorlijk van gewicht en gelijk aan de helft van haar geringe lengte. Het deed aan haar besluit niet af. Omdat we aan het park wonen was de wandeling niet zonder risico. Nog geen minuut later lag de zak met koeken in een plas regenwater. De jongedame languit ernaast op de stoep. Uitgegleden. Toen ik haar optilde zette ze zich met haar spartelende beentjes af. Van mijn knie tot mijn enkel zat ik onder de hondenpoep. Verse hondenpoep.

Ik heb een hekel aan hondenpoep, maar nog meer aan natte gevulde koeken en bedacht mij geen moment. Met de zak koeken onder de ene en mijn dochter onder de andere arm beende ik mij een weg naar huis. Met mijn neus belde ik aan en overhandigde driftig onze dochter aan mijn vriendin. De kleine schoentjes met de poep eronder bleven achter bij de voordeur. Mijn broek trok ik uit in de hal. Smerige beesten, smerige baasjes.

Schijnheilig lopen ze met hun plastic zakjes opgevouwen in de jaszak. Als de duisternis valt laten ze de warme boodschappen net zo makkelijk achter voor de achteloze wandelaar of het nieuwsgierige kind. ‘Waar is het fatsoen gebleven?’, dacht ik toen ik in ondergoed en met ondergescheten broek in de armen de gang in liep.

Toen we onze verschoning hadden gehad en van de gevulde koeken gegeten waren we allesbehalve bereid de stijd te staken. Ietwat opgefokt, maar klaar om een rondje door het park te wandelen. Alert op uitwerpselen, uitermate waakzaam wat betreft lakse baasjes. Geheel tegen de eigen, timide natuur in besloten we ze aan te gaan spreken en vragen te stellen.

Nummer één, een op het eerste oog trotse bezitter van een bordercollie, begon desgevraagd te zuchten. ‘Je moet er drie uur per dag op uit, anders is zo’n beest niet te houden.’ Het kleine meisje op mijn nek kraaide van plezier. Zo’n snel beest dat als een vuurpijl achter een bal aanrent en door bergen bladeren duikt. Hartstikke leuk, maar ik was het voorval van eerder die dag nog niet vergeten. Voorlopig maakte dit baasje geen aanstalten, dus wij besloten verder te trekken.

We passeerden een tekkel plus baasje met gevuld zakje. Zoals het hoort, maar toch bleef ik wantrouwen. Aansluitend een labrador, tong uit de bek, ongevuld zakje in de hand van het baasje. De intentie desalniettemin goed, temeer daar we vriendelijk werden begroet. Daarna een golden retriever die direct de bijzondere aandacht van mijn dochter had. Ze verkoos het voetpad boven de zitplaats op mijn nek om dit schouwspel eens van nabij te kunnen bekijken.

Op gepaste afstand bekeek ik mijn dochter die een schijtende hond bekeek. Ze zag hoe het beest door de knieën zakte en alle druk naar het achterlijf verplaatste. Een dampend resultaat op het pasgemaaide gras. Het baasje was uiteraard verder gelopen, maar kon de kleine adjudant onmogelijk negeren. Haar intense blik gericht op de warme drol in het gazon. Die drol moest weg. Enigszins geërgerd liep hij richting plaats delict en haalde een plastic tas tevoorschijn.

Het was een tas van de Haarlemse Bakker.