Bestelling

Halfje bruin

‘Bent u de laatste?’ vraagt een oudere meneer aan de jonge vader vooraan de rij. Hij moet hard grinniken om zijn eigen grap. De vader knikt richting einde van de rij. Zo’n tien wachtenden achter hem. De meneer is een jaar of zeventig, glad geschoren, draagt een bril en groen geruite overhemd. Type vaste gast én op zoek naar een praatje.

Laatste in de rij is een zwijgzaam meisje van nog geen vier. Haar bestelling: twee krentenbollen. Gelukkig voor de vaste campinggast, meldt zich al snel een volwaardig gesprekspartner. Wederom een jonge vader. Behalve het weer blijkt meneer ook verstand van het bakkerswezen te hebben. Marketing, assortiment en klantenbinding. Ze passeren allemaal de revue.

‘Het blijft van dat mooie weer, geen ‘zuggie’ wind.’ Ik meen een West-Fries accent te horen. Hij blijkt uit Wieringerwerf te komen. Kop van Noord-Holland, daar waar de wind altijd waait. Uit beleefdheid informeert zijn gesprekspartner of meneer hier vaker komt. ‘Al jaren.’ Aan zijn intonatie te horen heeft hij het eerder over decennia, dan luttele jaren.

Hij weet van de hoed en de rand. ‘De bakkerij is ’s maandags gesloten, maar komt hier gewoon’ en ‘Ze draaien hier meer omzet, dan een hele dag in het dorp.’ Z’n gesprekspartner veinst ontzag en ziet vooral toe of de rij al enigszins slinkt. Maar zo makkelijk komt hij er niet vanaf.

‘Ik heb ze ook al eens gezegd: als jullie geen normaal brood verkopen, kom ik niet meer.’ Sindsdien zijn er naast ‘luxe broodjes’ ook halfjes wit en bruin te koop. Dankzij hem kan men ook bestellen. ‘Dan vraag ik weleens: kunnen jullie die vlaai vast in acht punten snijden?’ Ook heeft hij ze weleens gezegd ‘wat voor de kinderen te doen.’ Die krijgen sinds kort een klein broodje. Helemaal gratis.

Ze mogen maar wat blij zijn bij de bakker, met zo’n adviseur.

Inmiddels is het kwart over negen, terwijl openingstijden zich normaal tot negen uur beperken. Op vier klanten na is de rij verdwenen en daarmee ook het ruime assortiment. Ik bestel twee resterende broodjes, maar daarna valt het stil.

‘Twee krentenbollen’ vraagt het meisje met de euromunt in haar hand achter mij. Voor even ben ik teruggeworpen in de tijd, op de camping in Frankrijk (‘deux baguettes’ fonetisch erin gestampt en precies voldoende francs in mijn knuistjes geklemd). Maar de krentenbollen zijn op. Ook een gratis klein broodje maakt nog geen krentenbol. Heel vervelend, maar voor de vaste campinggast geen probleem.

Die heeft z’n halfje bruin apart laten leggen.


Inpakken

Kamperen

‘Dick, Dick, ik hoor druppels.’ Het is zeven uur ’s ochtends, een jaar of vijfentwintig geleden in de Ardèche. Een vroege regenbui die de laatste ochtend van de vakantie verstoord. Vanonder het gordijn, dat het slaapvertrek van mijn zus en mij met dat van mijn ouders scheidt, wordt bruut de stop uit mijn luchtbed getrokken.

Vervolgens met een militaire discipline: wassen, aankleden, tent opruimen. Daarna achthonderd kilometer autoroute. Met een bepoedersuikerd koffiebroodje op de achterbank. Bert & Ernies Sipje en Sopje op de Sony walkman. Eventuele ruzies zullen worden voorkomen door de oranjebruine koelbox tussen mijn zus en mij in.

Van het tent opzetten, noch inpakken heb ik weinig levendige herinneringen. Behalve stukken tentpaal met gekleurde stickers, een hallucinante hoeveelheid haringen, een bezwete vader en een geagiteerde moeder. Ik zat meestal rustig in de schaduw toe te kijken. Geen stress voor mij.

Een jaar of vijfentwintig later parkeert een buurman van twee tenten verderop met ijzeren precisie zijn zilvergrijze Renault Megane naast de heg. De klep gaat open, net als het voor- en achterportier op links. Ook wordt de aanhanger met routineus gebaar aangekoppeld. De beige plasemmer met bruine deksel wordt ernaast gezet.

Gisteren zaten de twee nog boven een glas rode wijn voor zich uit te staren, in het flauwe licht van twee lichtblauwe geurkaarsen. Vanochtend wordt er ingepakt. De tent is droog, maar een bui dreigt. Doorwerken.

Allereerst de luifel. Met enkele handbewegingen is die los. Die wordt over de aanhanger gedrapeerd en van vuil ontdaan. Vervolgens de met gelijke afstand geplaatste haringen. Een voor een wordt de modder eruit geklopt. Dan de inloopmat. Even samen. Een, twee, drie, vier bewegingen en ook deze is opgevouwen. Dit heeft men vaker gedaan.

Wanneer de tent eenmaal in de aanhanger zit, is het tijd voor een energiereep. Gezeten op de blauwwitte plastic tuinstoelen wordt deze vanuit het cellofaantje verorberd. Niets zo vervelend als van die kleverige vingers.

Hij laat zijn onderarmen rusten op de armsteunen. De knieën triomfantelijk over elkaar geslagen. Zij pakt haar koffiemok van het gras. Met z’n tweeën te midden van georganiseerde chaos.

Alleen wat laatste plastic tassen die nog ingeladen moeten worden. Overzicht. Een energiereep en een kop koffie naast de gele plek die is achtergebleven in het grasveld.

Het bewijs dat zij hier samen waren.


Bakkerij Extra

BakkerijExtraSchinnen

Regendruppels van vannacht staan nog op het tentdoek. Dauw op het gras glinstert in het ochtendlicht. Maïs op de heuvels om mij heen, voor zover ik kan zien. Het is pas vijf over zeven, maar de zon werpt haar licht al over de hoger gelegen terrassen van de camping.

De meeste tenten zijn nog in stilte gehuld. Bij het toiletgebouw heerst al meer bedrijvigheid. Jonge ouders. Ook op vakantie wordt hen het ochtendritueel niet onthouden. ‘Ik heb overgegeven en mijn zusje ook’ vertrouwt een meisje mij toe. ‘Maar mijn broertje niet.’ Doordringende luchtjes bij de herentoiletten. Buiten in de vitrine aankondigingen van kerkdiensten in de wijde omtrek en het telefoonnummer van de huisarts in het dorp.

Een ommetje leert de campingbezoeker dat om half negen Bakkerij Extra uit Schinnen haar waren op de camping komt verkopen. Om kwart over acht staat een mevrouw met kort kapsel, wit hemd en bruine driekwartsbroek al voor het toiletgebouw te wachten. De armen over elkaar. Ze ontvangt als het ware de laatkomers, die na haar aansluiten.

Wanneer een kwartier later de donkerblauwe bus van de bakker het erf op rijdt, heeft zich een rij van een man of twintig gevormd. Een man, jaar of zeventig met een groen geruit overhemd en bril, passeert de rij. ‘Goedemorgen allemaal’ mompelt hij binnensmonds. Waarschijnlijk een vaste gast.

Vlaaien, speltbrood, wit brood, bruin brood, krentenbollen. Alles wat haar man vanochtend vol passie bakte, wordt uitgestald door de bakkersvrouw. De mevrouw vooraan de rij kan een kleine doch triomfantelijke glimlach niet onderdrukken.

Het wachten beloond.