Makreelvissen

Makreel

Roken, bakken of grillen op de barbecue. Makreel is smaakvol én gezond. Na menig indianenverhaal te hebben aangehoord (‘Emmers vol!’) wilde ik de romantiek van makreelvissen zelf ervaren.

‘Eerst betalen bij de container.’ Het is half vijf in de ochtend, de kapitein is vrolijk. Hij drukt deelnemers gehuurde hengels in de handen en gebaart ze aan boord te gaan. Zijn collega is al drukdoende achter de bar. Koffie wordt gezet, uien gepeld en de eerste bevroren hamburgers gaan op de bakplaat. Om klokslag vijf uur vaart de MS Marion de haven van IJmuiden uit.

Aan boord een bont gezelschap: Duitsers, Japanners, Antillianen, studenten, hobbyvissers en amateurs als wij. De muziek is slechts van één genre. Via een oude laptop en twee speakers zullen de komende zeven uren uitsluitend Nederlandstalige hits worden gedraaid.

Wanneer de zon opkomt achter de Hoogovens en de boot een kilometer of twee uit de kust is, gaan we voor het eerst voor anker. Er klinkt een toeter. ‘Jullie mogen.’ Om mij heen neemt iedereen zijn hengel ter hand. Mijn onzekerheid wordt opgemerkt. ‘Gewoon erin en weer ophalen, dat is makreelvissen.’ De rooddoorlopen ogen van de kapitein kijken mij aan. Ik zie zijn bruinverbrande huid, haast van leer. Hij ruikt op doordringende wijze naar shag. Ook vallen gouden oorbellen met nautische taferelen op. Vijf minuten later klinkt de toeter tweemaal. ‘Ophalen!’

Niemand vangt wat.

‘Mag ik een hamburger?’ vraagt een van de passagiers. Dat gaat nog niet: ‘Ik heb alleen ijsburgers.’ De matroos draagt zijn haar in een paardenstaart en loopt op klompen. Hij heeft een blauwe envelop in zijn hand; belastingdienst. ‘Iets terug gekregen?’ informeer ik. ‘Ken dat dan?’ vraagt hij terwijl hij mijn koffie inschenkt. Niet veel later beukt hij op de wc-deur. ‘Niet in die plee kotsen, over de reling!’ Een lijkbleke Japanner doet open. Frans Bauer zingt op de achtergrond rustig verder. Wanneer enkele Duitsers lopen te klooien met een molen aarzelt hij geen moment. Hij bijt de nylon draad vlak boven en onder de kluwen door en knoopt de twee uiteinden aan elkaar. Wanneer zijn collega een kapotte molen probeert te repareren, smijt hij deze overboord. Argeloos loopt hij terug naar de bakplaat om de hamburgers te draaien.

Beet. Na twee en een half uur varen heeft er eindelijk iemand beet. Een gul. De gelukkige vanger slaat het beest bewusteloos tegen de boot. ‘Niet tegen m’n boot’ schreeuwt de matroos met paardenstaart. Als de toeter tweemaal heeft geklonken wordt de enige gevangen vis onder grote belangstelling gefileerd. Enige tijd later kijkt de vanger gelukkig over zijn schouder naar de inhoud van zijn emmer. Trots.

Het is mooi te constateren hoe men signalen begint te herkennen. Zodra de boot vaart mindert, rent iedereen naar zijn hengel. Zodra de toeter klinkt, verdwijnen lood en haken onder het wateroppervlak. Sommigen hebben de moed opgegeven. Een meneer zit te knikkebollen op een bankje. Na een vroeg vertrek en uren ‘scharrelen’ wordt een tukje in de zon verkozen boven actief sportvissen.

‘Dramatisch’ noemt Melvin uit Almere zijn vangst. Altijd had hij emmers vol, behalve die ene keer dat hij ging wrakvissen. ‘Al je haken en je lood kwijt. Dat kost je meer dan het oplevert.’ Hij is hier met tien man en ze hebben nauwelijks iets gevangen. Hij zou gaan barbecueën vanavond. ‘Zij denken, Melvin komt met vis.’ Maar Melvin komt niet met vis. Toch blijft hij een zeevisser. ‘Ik wil niet naast de sloot zitten, ik wil gevangen vis kunnen opeten.’

De schrale vangst wordt gekoesterd, de zon werpt een gouden gloed op de Noordzee, de Hoogovens roken in de verte net als de sjekkies in de mondhoeken van kapitein en matroos. De laatste schudt nog eens zijn hoofd en mompelt ‘kutvis’. De Japanners hebben met een enorm mes sashimi gesneden van hun enige makreel. Hun kotsende vriend van zo-even begint weer kleur te krijgen.

Waar rauwe vis al niet goed voor is.


Theater

Geert Lageveen en Leopold WitteEr staan veel auto’s geparkeerd bij het Witte Theater. IJmuiden op een dinsdagavond. Koud, donker en nat. Zwijgzaam loopt men richting ingang. In de hal van de toneelzaal staat men al te wachten. Wij zijn aan de late kant.

Ik hang mijn jas op in de onbemande garderobe. ‘De directie stelt zich niet aansprakelijk voor schade of diefstal.’ Ik neem het ter kennisgeving aan. De gemiddelde leeftijd van bezoekers ligt halverwege de veertig, gaat misschien zelfs richting vijftig. Veel warme truien, praktische kapsels en brillen.

Twee lange dames drinken gulzig uit hun theeglazen. Over een aantal minuten gaat de zaal open. Reden voor beroering. Neuzen richting trap naar balkon en de deur van de zaal gericht. Onrust. Vrije plaatskeuze staat hier voor de gemiddelde bezoeker garant voor stress.

De deuren gaan open. ‘Plaatsen innemen.’ Zeker een derde van de bezoekers vliegt omhoog richting balkon. De rest van de massa als door een zandloper door de kleine deuren naar zaal 1. ‘Zou er dan nog een zaal zijn in dit kleine theater?’ vraag ik mij af. Men beklimt haastig de smalle trapjes en kiest positie. De twee mooiste plekken blijven voor ons over.

De twee acteurs dirigeren verlate bezoekers naar hun plek. Het is wat schikken op de tribune, maar het past.

Tijd om te beginnen.

Thema van vanavond is seks. 237 redenen voor seks om precies te zijn, volgens Leopold Witte en Geert Lageveen. Aan de hand van hun sensuele platenverzameling reizen we door algemene en persoonlijke liefdeshistorie. Reden 58: ik had medelijden met hem en ik verveelde me.

Vooral op hijgerige chansons slaat de dame achter mij bijzonder aan. Ze trapt in alle drift tegen mijn stoel. ‘Ja, ja, ja, die ken ik.’ Er wordt hysterisch gelachen en meegezongen. Op de klanken van Santana trekt een golf van opwinding door de ruimte.

Een uur later. Zo snel als men de zaal betrad, zo snel stroomt deze weer leeg. Op de dame die slecht ter been is en zich vastklampt aan de reling na, zijn wij de allerlaatsten. De garderobe in het felle tl-licht is al leeg. Onze jassen hangen er nog. De hal is verlaten. Ook de bar blijft eenzaam vanavond.

De straten rond het theater stromen leeg. Wat laatste remlichten schieten de hoek om.

‘Wellicht een goede reden voor seks gehoord?’


Waasdorp, over een zwijgzame Japanse chef

Een mistroostige gemeente. Daarom het perfecte decor voor een film, moet IJmuidenaar Alex van Warmerdam hebben gedacht bij het regisseren van zijn film ‘Ober’. Hij weet vast ook dat het anders kan. Zeevishandel N. Waasdorp op zaterdagmiddag bijvoorbeeld. Het is ook deze week een drukte van jewelste aan de Halkade. Lange rijen voor de kibbeling, de lekkerbek, maar vooral voor de visvingers. IJmuiden kent weinig fijnproevers. De dames van de viswinkel hebben hun namen in gouden letters aan hun kettingen hangen. Hun oorbellen zijn gigantisch.

Op speciale dagen worden rode poon en paling in een oliedrum voor de deur gerookt. Voor de beleving reken je af bij iemand in klederdracht. De picknicktafels zijn bij mooi weer druk bezet. Alleen regent het altijd in IJmuiden. Het klassieke beeld dat rest: stellen van middelbare leeftijd die, gezeten in hun Opel Meriva, hun bakje kibbeling – óf visvingers – verorberen. Een serieuze bezigheid waarbij meestal nauwelijks wordt gesproken. Zeker aan het einde van een wintermiddag, bij de eerste schemering, de meeuwen op de achtergrond op zoek naar visresten; een beeld dat ‘The birds’ van Hitchkock doet verbleken.

Ik vergeet bijna te zeggen dat Waasdorp een hele mooie zaak is. Een mooie zaak die ook zeker meer te bieden heeft dan vet gebakken vis. Behalve een flinke vitrine met klassiekers als paling en haring, een flinke koel-/vrieswand met ingevroren sint-jakobsschelpen, kreeft en king’s crab. Daarnaast twee flinke planken met ijs met de vangst van de dag (schol, griet, tarbot, wijting, zeewolf, rode poon, noem maar op). Maar het allermooiste in deze drukte is toch wel de Japanse sushi chef. In zijn geïmproviseerde keukentje te midden van al dit geweld rolt hij met hypnotiserende handbewegingen maki’s, nigiri’s en hand rolls. Volgens mij spreekt hij geen Nederlands. Sterker nog, volgens mij spreekt hij helemaal niet. Als een zwijgzame Zen master rolt hij zijn visdelicatessen die geen sterker contrast met de rest van de zaak, haar medewerkers en gasten had kunnen vormen. ‘Eén bakje visvingers, alstublieft.’