Remark

‘Here is your room key, Sir.’ ‘Thank you, I do have a remark though’, klinkt het in eloquent Engels. Slechts ergens in de verte een Nederlands accent. Hij is bruinverbrand, draagt een roze hemd, snor en sandalen en is een centimeter of tien korter dan zijn vrouw. De informatiemap op hun kamer maakt melding van veiligheid, onder het kopje ‘security’. Alleen het vluchtplan ontbreekt. Welkom in Cambodja. De jongen bij de receptie bedient hen keurig van repliek. Het duurt zijn vrouw, rode bril en piekerig grijs haar, te lang. ‘Is there someone who speaks better English?’ De baas wordt gebeld.

Het zal wel.

De volgende ochtend nemen wij bijna vanzelfsprekend plaats naast het zwembad. Vers mangosap met uitzicht op een kitscherige waterval vol plastic loopvogels. Dan ook nog een ei, gebakken, gekookt of geroerd op bestelling. Niet veel later meldt het stel zich beneden. Ze hebben de (nood)uitgang kunnen vinden. Naast dat zwembad zitten is maar niets. Ze besluiten binnen plaats te nemen. Terwijl ik mijn vers gebakken broodje met roerei beleg, zie ik haar zure blik over het fruitbuffet gaan.

‘Wie heeft alle ananas opgegeten?’

Niet veel later staat Sanet voor het hotel te wachten. Althans, hij ligt heerlijk uit te slapen op de kussens in de open cabine achter zijn motor. Direct vrolijk als hij wakker wordt, schiet hij overeind om de motor aan te trappen. Klaar voor sight seeing. Maar niet voordat het stel zich buiten het hotel waagt. Vanuit de deuropening werpen ze keurende blikken op de tientallen tuk tuk chauffeurs voor het hotel. Ze besluiten te gaan lopen.

Vast veiliger.

Na een prachtige dag genieten we op het dakterras van het hotel, zelfs onder een donkere moessonlucht. Jacuzzi, uitzicht op de Mekong en het koninklijk paleis en een enorme fles bier voor nog geen $1. Het stel meldt zich opnieuw. Beiden in een schmutzige hotelbadjas. Boeken onder de arm. Zij Mannen die vrouwen haten van Larsson, hij een pil van Ludlum. Kritische blikken op het bad en over de rand van het balkon. Zij heeft het liftknopje alweer ingedrukt, voor de reis naar beneden.

Een brandtrap lijkt te ontbreken.

Na het sluiten van de liftdeuren breekt de zon door. Een dakterras in Phnom Penh, een mooie plek om te sterven.


Schotland

‘Hiking? Arre you surre,’ zegt de man die mijn paspoort controleert, ‘I hope you brrouhgt yourr umbrrella’. We wandelen deze week de West Highland Way. Start net buiten Glasgow, aankomst in Fort William. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat we de helft zullen lopen. Lang niet gek voor twee jonge mannen met een kantoorbaan.

De eerste etappe, een kilometer of 20, voert door heuvelachtig landschap. Mooi, maar pittig met 10 kilo bagage op de rug. Tijdens de lunch worden we ‘ingehaald’ door een Belgisch echtpaar. Klassieke wandelaars. Hij in korte broek, rode rugtas en opgetrokken wandelsokken. Zij is in het zwart gekleed, een ferme pas en tanige kop. Ze wekt allerminst de indruk de nabijgelegen Glengoyne whisky distillery te willen bezoeken. Een trotse brouwmeester leidt ons later rond door ‘zijn’ stokerij en laat ons een aantal whisky’s proeven. Daarna nog slechts 10 kilometer richting Drymen, voornamelijk heuvelop.

In de pub smaakt alles: een paar pints, vette hamburger en enkele single malts. Ik weet niet hoe ik het kussen van het hotelbed raak; het volgende moment schijnen de eerste zonnestralen alweer naar binnen. ‘Neverr beforre ten ‘o clock in the morrning,’ zegt de dame achter de balie van de lokale supermarkt als we om een fles single malt vragen. Het is vijf voor tien, dus we besluiten te wachten.

Om het lopen dragelijker te maken, besluiten we onszelf met een ‘dram’ te belonen wanneer we een mijlpaal zullen bereiken. Dit is een rekbaar begrip. De 11 kilometer tot Conic hill zijn in élk geval te ver. Na een kilometer of vijf vinden we dat we een glaasje hebben verdiend. Net op dat moment passeert het Belgische echtpaar. Halverwege Conic hill vraagt het Belgisch echtpaar of het steil is naar boven. ‘Met wandelstokken is het te doen,’ zeg ik. ‘Met een whisky op zeker,’ denk ik. Het uitzicht over Loch Lomond met een whisky in de hand is onovertroffen.

Eenmaal op het terras van The Oak Tree Inn in Balmaha zitten we al aan een tweede pint cask ale wanneer het Belgisch echtpaar zich meldt. ‘Hoe noemen ze dat ook alweer?’ hij kijkt ons vragend aan: ‘een verslaving’. ’s Avonds houdt hij ons nauwlettend vanuit de hoek van de pub in de gaten. Hij drinkt een sapje. Onze Balvenie smaakt er niet minder om.

De volgende dag na ruim 22 kilometer wandelen zitten we met vermoeide voeten in de avondzon naast het Inversnaid Bunkhouse. Een dubbele ‘dram’ hebben we wel verdiend. De halve liter blikken bier staan op tafel wanneer tegen half tien de deur van het restaurant opengaat. Het Belgische echtpaar. Na een paar happen van zijn chili reclameert ze namens hem bij de bediening: ‘It’s too hot.’ Even later zit hij met een glas melk voor zijn neus.

De volgende ochtend bij het ontbijt, wanneer zijn vrouw al van tafel is, komt hij eens bij ons informeren. ‘Of wij ook van de ‘free ride’ naar het dal gebruik zullen maken?’ We bedanken, de benen voelen goed. Eenmaal beneden staat de Belg, ditmaal met vissershoedje en pastelkleurig trainingsjasje voor het Inversnaid Hotel te wachten. Zijn vrouw is binnen met de stempelkaart van de West Highland Way.

Hij groet ons voor het laatst en kijkt ons jaloers na.