Tropical pleasure

Halong Bay

Op een boot in Vietnam. Het is een warme dag geweest. Veel zon gezien. De huid gloeit nog na en is zout van het zeewater. Na een verkwikkende douche vleien we onszelf neer op het zonnedek. Heerlijk en een stuk beter uit te houden: de middagzon. Nog beter wordt het met ijskoud Vietnamees bier in een nog kouder glas. Naast ons een Australisch stel van een jaar of vijftig. Hij vertrokken in een boek, zij ondergedompeld in haar iPad. Een spelletje, veel bijgeluid. Na een minuut of tien doorbreekt de gedienstige ober hun stilte. Of ze iets willen drinken? Hij overweegt een cocktail, maar bestelt bier. Zij wil wél een cocktail. Maar welke precies, daar wil ze nog even over nadenken. Als de ober terugkomt, is ze er uit: Tropical pleasure.

Twee Nederlandse zwagers in kortgemouwde, geruite overhemden en witte driekwartbroeken melden zich aan dek. Ondanks de warmte hebben ze instapgympen en korte witte sportsokjes aan. Ik hoor een Volendams accent. Ze zijn vanmiddag aangekomen. Ook lusten ze wel wat te drinken. ‘Do you want local beer, sirs?’ vraagt de gedienstige ober. Ze willen Heineken. Hun vrouwen, overduidelijk zusjes, melden zich even later. Hun kapsels zijn van een treffende gelijkenis. Een peper en zoutkleurig permanent. Ook zij hebben dorst. Ze willen weten wat ‘die vrouw met die iPad’ drinkt. Een gifgroene cocktail. Tropical pleasure wordt gedetermineerd op de menukaart. Er wordt kort daarna op een nog lange vakantie samen getoast.

De Vol(l)endammers zitten naast ons bij het diner. De mannen in verse overhemden. De haren gekamd. ‘Dat zijn ook Hollanders,’ hoor ik hen elkaar duidelijk toefluisteren wanneer wij de eetzaal betreden. We nemen zwijgzaam plaats aan onze tafel. Na het buffet, dat ze goed smaakt, drinken ze een aantal koppen koffie. Het dessert wordt opvallend genoeg door hen overgeslagen. Ze krijgen de ontbijtopties door de gedienstige ober gepresenteerd. Zelf even aanvinken. Wat is eigenlijk ‘bee-ket sau-saa-guh,’ vraagt het ene aan het andere zusje. Het is gebakken worst. Er wordt een kruisje gezet.

Dan informeert men naar het weer bij de gedienstige ober. Het wordt morgen wéér zonnig. Warm met een hoge luchtvochtigheid. Tropical pleasure.


Ambassade

Ik wil naar Vietnam deze zomer. Dan heb je een visum nodig. Althans, je kunt ook een aanbevelingsbrief via een obscure website organiseren en ter plaatse een visum afhalen. Wachttijden, zogenaamde stempelkosten en onverwachte douaniers incluis waarschijnlijk. Op naar Den Haag dan maar. De Vietnamese ambassade.

‘Yes, we al’ opened between 2 and 5 pm, a visa takes you thil’ty minutes.’ Wanneer ik om kwart over twee mijn auto aan het Nassauplein parkeer, zie ik de rode vlag van de Socialistische Republiek al wapperen. Rode vlag, gele ster. Ik gooi twee euro in de parkeermeter. Anderhalf uur moet voldoende zijn.

Ik ben niet de enige bezoeker vandaag. Twee meiden, ongetwijfeld net klaar met hun vwo-examen staan te twijfelen voor de ingang. Het is immers zo druk binnen. Ik kan het visum niet anders dan vandaag regelen. Drukke weken voor de boeg. Ik schuifel langs hen heen. Ze spelen met hun haar.

Binnen, een plastic stoel of twintig, systeemplafond met sporen van lekkage en een kaart van Zuidoost-Azië. Een wachtkamer. Ik zit al, wanneer ik zie dat er zo’n rode bonnetjesautomaat staat zoals bij de slager. Nog net voordat de volgende reiziger zich meldt, trek ik nummer vierenveertig. ‘Twenty thl’ee,’ roept een dame achter de glaswand. Nog even geduld dus.

Men praat over het regenseizoen dat aanstaande is, boottochten naar Ha Long Bay en of de route van zuid naar noord of juist van noord naar zuid zou moeten worden gevoerd. Het duurt lang en ik ben op zoek naar lijm. Pasfoto’s dienen namelijk aan het aanvraagformulier bevestigd te zijn. Indien los, geen visum.

Ik vind een Prittstift op een houten plank langs de wand. Behalve wat aanvraagformulieren en een schaar ook enkele vergeelde folders over Vietnam. Ik plak mijn pasfoto op en speel wat met het bonnetje in mijn hand. Ik zit al een uur te wachten. ‘Foul’ty foul.’ Ik overhandig haar de formulieren en het geld. Ik krijg een nummer terug: ‘Thl’ee.’ Half uurtje wachten.

‘Ga je ook naar Vietnam?’ vraagt een medewachter. Ik heb niet zo zin om te praten, maar knik bevestigend. Hij spreekt een ander aan: ‘Ben je vaker in Vietnam geweest?’. Hij wel. Hij is al eens vier weken naar het noorden geweest. Nu gaat hij voor zes weken, waarvan twee weken naar China. Hij heeft net zijn opleiding acupunctuur afgerond en zal in Vietnam, bij een bevriend stel, een stage doorlopen. Hij spreekt ook een beetje Vietnamees en vraagt of hij zijn mobiel mag opladen aan de ambassademedewerker. Het mag.

Twee dames vragen zich af waar Vietnam eigenlijk ligt en staren naar de kaart. Ik twijfel of ik de parkeermeter bij zal vullen. Nog drie minuten. Beweging achter balie. Niet voor mij. De volgende keer is het raak: ‘Numbel’ Thl’ee’.

Klaar om te gaan.