Logistieke redenen

logistieke-redenenVanmiddag was het net zo mistig als vanochtend. Zo’n grijze dag die zich toch al bevindt in het vacuüm tussen Kerst en Oudjaarsdag. De postbode bracht rond een uur al een verlate kerstkaart en nu hoorde ik opnieuw de bus klepperen. Drie brieven van de Gemeente Haarlem. Zo hoor je nooit wat van ze en nu dit. Een paar maanden geleden ontving ik een herinnering voor mijn paspoort dat begin januari zal verlopen. Benieuwd waar dit om kon gaan opende ik de enveloppen.

In de eerste brief de boodschap dat de eerste bezoekersparkeervergunning met een jaar was verlengd. Idem dito in de tweede en derde brief met betrekking tot de tweede bezoekersparkeervergunning en onze eigen parkeervergunning.

Een specifieke alinea in de laatste brief intrigeerde mij. Ik herinnerde mij deze de afgelopen jaren ook al te hebben gelezen: ‘bij aanvraag van verschillende vergunningen wijzen wij u erop dat deze wegens logistieke redenen apart worden verzonden’. Een ruim begrip, een mysterie in meervoud. Meerdere redenen, maar welke? Behouden van werkgelegenheid binnen het ambtelijk apparaat zou een reden kunnen zijn, maar heeft niets met logistiek te maken. Geen zin, in het algemeen de meest verzwegen reden, evenmin.

In heb in mijn dagelijks werk vaak met ontwikkelaars te maken. Slimmeriken die logica bouwen naar het model als-dit-dan-dat. Ik zou denken dat anno nu als-meerdere-berichten-voor-dezelfde-ontvanger-dan-één-in-plaats-van-drie-brieven(-of-stuur-een-mail) moet kunnen, maar wellicht moet ik mij niet met dit soort zaken bemoeien.

Ik besloot een rondje te gaan hardlopen. Bij Teylers Museum een rij tot op de stoep. Waarschijnlijk wegens logistieke redenen. Te weinig mensen achter de kassa, een te krappe entree of allebei. Bij de naastgelegen parkeergarage een rij auto’s wachtend voor de ingang. Overduidelijk een logistieke reden. De bordjes boven de ingang vermeldden in rode leds ‘vol’.

Morgen zijn we in het ziekenhuis ontboden, de bevalling zal worden ingeleid. Ik zal binnen drie werkdagen de baby moeten aangeven. De laatste keer bij de gemeente, om mijn rijbewijs op te halen, stond ik in de verkeerde rij te wachten. Ook had ik het verkeerde volgnummer in mijn hand. De ambtenaar van dienst had vervolgens haar dag niet. Goed beschouwd logistieke redenen.

Als ik naar buiten kijk zie ik dat de mist, waarschijnlijk wegens meteorologische redenen, nog steeds niet is opgetrokken. Niet op straat, niet in mijn hoofd.


Pauze

Eindelijk sneeuw en ook nog eens op een zondag. Wakker worden met het geluid van kinderen op straat, kraaiend van plezier, terwijl ik de slaap uit mijn ogen wrijf. Het is niet veel sneeuw, zie ik uit het raam dat uitkijkt op het park, maar precies genoeg voor een bal of pop. Wel snel zijn, bedachten ook de kinderen op straat zich, want de zon heeft er zin in vandaag. Mijn dochter en ik gaan erop uit voor een wandeling. Bijna twee is ze en net zo lang heeft ze moeten wachten op de eerste fatsoenlijke ontmoeting met dit wonderschone fenomeen. Ze vindt het maar koud, ze vindt het maar vreemd smaken die sneeuw, ze heeft geen zin om te lopen, ze maakt mij duidelijk haar te moeten tillen. Met plezier natuurlijk.

Aan de andere kant van het park loopt een jongen van een jaar of zeven. Zijn slee sleept hij verveeld achter zich aan.Ik kom hem tegen ter hoogte van het pad richting het station. ‘Ik mag maar tot hier van mijn moeder’, begint hij ongevraagd, ‘Ik woon aan de overkant bij de poort, ken je dat?’. Ik ken de poort niet. De poort blijkt vlakbij de school te zijn die ik wel ken. Wanneer ik informeer naar de sneeuwconditie haalt hij zijn schouders op, ‘Mwah, het zou eigenlijk wat meer moeten zijn, sleeën gaat net niet lekker’. We lopen met zijn drieën op richting de brug naar overkant. Hij waagt nog een poging op het hellende pad, maar de steentjes remmen hem teveel af. Ook de grashelling naast het pad werkt hem niet mee, teveel blaadjes. Hij baalt zichtbaar, had zich hier zo op verheugd. Op zijn verzoek bekijken we op mijn telefoon de weersvoorspelling van de komende dagen. Zon en wolken. ‘Misschien komt er wel sneeuw uit die wolken’, blijft hij hoopvol.

Ik vraag hem of hij naar de school gaat aan de overkant van het water. ‘Nee joh’, zegt hij, ‘ik ga naar de vrije school’. Hij vertelt mij dat de kinderen in de wijk, bij de poort, hem ermee pesten. Het maakt hem niets uit. ‘Dan zeg ik altijd dat zij maar twintig minuten pauze per dag hebben, terwijl ik de hele dag pauze heb.’ Hoor ik nu hem of zijn moeder? Wat maakt het uit. Bij navraag blijkt hij tussen alle vrije tijd door soms -heel stom- taal- en rekenlessen te moeten volgen, maar hij houdt ruim voldoende tijd over voor zijn pauzes en dagdromen. Mijmerend over een ruimschoots besneeuwd park, waar hij misschien zelfs verder mag sleeën dan het pad richting het station.


Kringloopwinkel

Kringloopwinkel

De kast is vol. In de loop der jaren is er meer bijgekomen dan verdwenen. Het gevolg laat zich raden. Spullen worden op den duur rommel en laat ik daar nu eens slecht tegen kunnen. Omdat weggooien zonde is pas ik nog eens al die pakken.

Mijn eerste, die ik bij mijn afstuderen kocht. Die droeg ik bij alle sollicitaties daarna. Mijn tweede, die droeg ik mijn eerste werkweken. We waren onafscheidelijk. Mijn derde en vierde pak? Evenzo. Maar nu veel te groot of misschien was de mode toen wel zo.

Hoe dan ook, zonder deze vier pakken net weer de noodzakelijke lucht voor achterblijvers in de kast. Jurken, rokjes, overhemden. Omdat ik een ander nog wel eens blij zou kunnen maken breng ik de pakken weg. Naar de kringloopwinkel.

Vrijwilligers zoeken ze, volgens de geplastificeerde advertentie op de voordeur. Eenmaal binnen begrijp ik waarom. Het is maandagmiddag maar druk. Heel druk. Vrijwilligers in donkerblauwe bodywarmers lopen af en aan met trolleys vol bananendozen. Geen idee wat erin zit. Als de winkelinhoud representatief is dan waarschijnlijk cd’s, lp’s, kleine elektronica, kleding, glaswerk, serviezen of boeken.

Ik sta daar te midden van deze mierenhoop met een hand vol pakken. Een boomlange spierwitte man met vlassige snor wordt door een donkerblauwe bodywarmer op mij af gestuurd. Ik overhandig hem de pakken. ‘D-d-d-dankjewel’ stottert hij.

Haast verontschuldigend geef ik aan te zijn afgevallen, dat de mode is veranderd. ‘D-d-dat h-h-herken ik’ bevestigt hij gelaten vanachter zijn jampot glazen. Aarzelend blijft hij in het gangpad staan. De vier pakken aan zijn lange arm, al ware het een kledingrek.

Twee heren met grijze baarden bladeren achter hem nonchalant door de bakken vol langspeelplaten. Een dame met bontkraag neust over de rand van haar rode montuur naar de kristallen (?) glazen.

Ook bij de boeken is het druk. Een meneer houdt zijn hoofd schuin om de titels te kunnen lezen. Sectie spiritualiteit. Verderop bladert een mevrouw door een boek over breien. Voor de prijs hoeft men het niet te laten. De meeste zaken kosten niet meer dan een paar euro.

Een verdieping lager staan allerhande televisies, lampen, bankstellen en kasten uitgestald. Iets prijziger, maar nog altijd een schijntje vergeleken met normale meubelzaken.

Een mevrouw geeft haar echtgenoot een uitbrander ter hoogte van de dressoirs. ‘Hoezo?, hoezo?’ bijt ze hem toe. Hij zwijgt in alle talen, maar wat zij op het oog had komt ‘zijn huis’ niet in.

Wie opnieuw opvalt is de boomlange spierwitte man met vlassige snor. Mijn pakken is hij inmiddels kwijt. Nu kwijlt hij voor de vitrinekast met beeldjes. De rood-witte raket van Kuifje.

‘Zie je dan niet dat die meneer hier wortel staat te schieten?’ roept een blauwe bodywarmer zijn kant uit. Hij ziet inderdaad niet dat ik al enige tijd met een lp bij de kassa sta te wachten. Hij heeft alleen oog voor de raket van Kuifje. Binnenkort zijn raket, als hij daar maar lang genoeg blijft staan.

Voor de een rommel, voor de ander van onschatbare waarde.

Raket Kuifje


Jehova

folder_voorkant_detail

Het Kennemer Gasthuis, locatie noord, staat er eenzaam bij. Het parkeerterrein immer leeg. Er kan aan de overkant van de weg gratis worden geparkeerd. Olifantenpaadjes via plantsoenen naar de ingang. Voorbij het einde van Haarlem, voor het begin van Velserbroek.

Een soort van niemandsland.

folder_voorkantToegegeven, er is een busplein waar het op gezette tijden druk kan zijn. En er is, even verderop, een McDonald’s en een Bastion hotel. Eenzame zakenlieden en overspelige echtgenoten brengen hier de nacht door.

Wanneer je de Randweg richting Beverwijk opdraait zie je een ander gebouw. Bruine bakstenen, puntdaken. Het lijken net geschakelde bungalows. Daaromheen een keurig bestraat perceel. Het betreft de Koninkrijkszaal der Jehova’s getuigen.

Terug naar het ziekenhuis.

De architecten hebben hun best gedaan. Van buiten een blokkendoos, van binnen licht en veel hout. Bewegwijzering in felle oranje pictogrammen. Modern, zou je kunnen stellen.

We parkeren onze fietsen naast het hospitaal. Hier komen mensen die hulp nodig hebben, in afwachting zijn van geluk of onheil of gewoon onder controle staan. Wij behoren tot de laatste categorie en het gaat niet eens om mij. Een vlug bezoek aan het lab. Bloed prikken. Hb-waarde, ijzergehalte, twee buisjes. Dat werk.

Als we richting ingang lopen staat hij daar. Kort haar, een grote bril, zwarte jas en donkerblauwe broek. Een zwarte plastic laptoptas over zijn rechterschouder. Hij spreekt willekeurig mensen aan. ‘Hier, voor bij de koffie’ drukt hij mijn vriendin een folder in handen. Ze geeft deze aan mij door. Ze is al wat laat voor haar afspraak.

folder_binnenkantIn plaats van een oude Donald Duck lees ik de brochure. Alleen al op de voorkant vier vragen. ‘Hoe denkt u over de toekomst?’, ‘Zal onze wereld hetzelfde blijven?’, ‘…achteruitgaan?’, ‘…beter worden?’ Een meisje met Aziatisch uiterlijk houdt een bergje aarde met jong plantje in de handpalmen. Een in zichzelf gekeerde blik en op de achtergrond drie rookpluimen boven een enorme fabriek.

Sla ik het open dan zie ik haar weer. Ditmaal breeduit lachend. Een gieter in de hand. De jonge loot inmiddels uitgegroeid tot potige kamerplant. Verder zie ik een man en vrouw. En profil. Een jaar of veertig zijn ze. Hij licht grijzend, zij blond. De zon in het gezicht. Het leven lacht hen toe.

De teksten bieden allerminst antwoord op eerder gestelde vragen. In elk geval komt het erop neer dat alles dat was voorbij is. Het volgende klinkt hoopgevend. Nuttig werk, het eeuwige leven en geen ziekte en verdriet meer. De mensen om mij heen, in de wachtkamer, kijken alsof ze een andere mening zijn toegedaan.

Wij zijn in elk geval klaar bij het lab en interessante inzichten rijker. ‘Voor bij de koffie’ zei hij nog.

Ik lust niet eens koffie.


Outlander

outlander-phev-black

Een vreemdeling was het. Totdat de fiscus zich bedacht. Ineens reed een groot deel van autoleasend Nederland in een hybride Honda Civic. Ietwat hoekig, ietwat lomp, maar wel lekker goedkoop. De crisisjaren duurden voort en de Honda’s deed men langzaamaan van de hand.

In 2013 werd bijna geen auto verkocht. Totdat de fiscus zich bedacht. Na december 2013 geen 0% maar 7% bijtelling op elektrische auto’s. Ondanks logistieke problemen kreeg Mitsubishi het grotendeels voor elkaar aan de vraag te voldoen. Opeens rijdt een groot deel van autoleasend Nederland in een Outlander. Minder hoekig, minder lomp, maar wel lekker goedkoop.

Bepaald geen vreemdeling meer dus, die Outlander.

Het is maandagochtend. Ik ren mijn rondje richting Overveen, de drukte van Haarlem achterlatend. Bij basisschool Ter Cleef in het Kleverpark komt men lopend of op de fiets. Bij de Julianaschool in Zijlweg-West komt men met de auto. Die zijn hier groot. Jeeps, SUV’s én Outlanders.

In de stad vormt het opladen van elektrische auto’s een uitdaging. In sommige gevallen volstaat een ouderwets verlengsnoer. Onder de voordeur door en dan via de stoep richting voertuig. Toch, hier en daar al een enkele paddenstoel van plastic in de straat. Subtiel verlicht met groene leds en voorzien van display. De zogenoemde ‘oplaadpaal’. Heb je mazzel, dan een voor de deur. Heb je pech, dan een blok of wat om.

Op andere plaatsen vindt men ‘laadstations’. Vechten voor een plek. Twee paddenstoelen en evenveel mannen die ’s avonds of bij schemering met oranje kabels sjouwen naar hun ‘tank’. Een blik van verstandhouding. Allebei een zwarte Outlander.

Niet laden is overigens geen ramp. Er is altijd nog de benzinemotor, maar dan zijn we weer terug bij af. Je ziet het ze denken.

Ik ren nog steeds. Richting het Brouwerskolkje keert de rust terug. Een zilveren waas boven het water. Geen geronk of stationair draaiende motoren, maar een concert van vogels.

Verderop begint het Houtmanpad. Na regen vaker een modderpad. Bandensporen van moeders die hier op bakfietsen reden. In gedachten loop ik er al. Knotwilgen met excentrieke kapsels langs de Brouwersvaart. Aan de overkant van het water twee verdwaalde tuinstoelen.

Ooit wit, maar nu bedekt onder een dikke laag groen mos. Nooit iemand zien zitten. Als je je ogen sluit denk je dat je het ruisen van de branding een kilometer of zes verderop hoort. Het is slechts de Randweg. Via een donkere fietstunnel en de Leidsebuurt ren je zo het centrum in.

Ik schrik op. De weg loopt naar beneden en ik heb vaart gekregen. Een auto is langszij gekomen, de knipper naar rechts staat al aan. Ik tel mijn stappen en weet dat onze wegen elkaar straks zullen kruisen. Ik heb geen voorrang en toch, op het allerlaatste moment, stopt de auto. Een Outlander!

Een beschaafde vreemdeling of plotseling een lege accu.


Sounds

Sounds Haarlem

De cd-winkel, in het winkelcentrum naast Jamin. Ik kwam er vaak. Negentienzevenennegentig: werd er een vriend vijftien, dan maakten we een potje. Kochten we de nieuwste single van Twenty 4 Seven of Critical Mass. Hadden we iets meer te besteden, dan een heel album. De Party Animals of gewoon een verzamelaar. Nog iets over? Een poster erbij, verkochten ze daar ook. Voor boven het bed. Lara Croft of iets van de the X-Files.

Napster kwam. Werd rechts ingehaald door Kazaa, Limewire en plotselinge nieuwsgroepen, the Pirate Bay en torrents. De cd-winkel van toen is er al lang niet meer. Heel veel cd-winkels in heel veel winkelcentra zijn er al heel lang niet meer.

Uitzonderingen daargelaten.

Zelfs op een druilerige zondagmiddag anno tweeduizenddertien is het druk bij Sounds in Haarlem. Voornamelijk mannen in regenjassen die bladeren door bakken met cd’s en lp’s. Op de achtergrond Nick Drake, later the Beatles om door Sixto Rodriguez te worden afgewisseld.

De klanten, stuk voor stuk connaisseurs, knikken op de maat van de muziek terwijl ze hun vingers over het alfabetisch gesorteerde jazzassortiment laten glijden. John Coltrane, Miles Davis, Duke Ellington. Jongere bezoekers laven zich aan het avant-gardistische segment elektronica en minimal house. Aan de bar zit een man met koptelefoon. De ogen gesloten.

Hier voor elk wat wils.

In dit paradijs van goede smaak zijn kneuzen verbannen naar Curver boxen op de vloer. Het getuigt van moed om op de knieën in het gangpad te struinen in de bak ‘alle platen voor één euro’. Lp’s van BZN, George Baker en Anita Meyer.

Johnny Cash wordt net zo vaak verafgood als verafschuwd. Bij Sounds heeft hij zijn eigen sticker. Niet na tab ‘CCC’ liggen zijn platen, maar na het zwart-witte label ‘Johnny Cash’. Desondanks voel ik een lichte onzekerheid terwijl ik schichtig met lp richting kassa loop. Al die keurende blikken.

De eerste in rij rekent net twee decennia aan jazz cd’s af evenals drie bestelde albums. De winkelier, halverwege de dertig en lang golvend haar tot halverwege de rug, geeft hem wel even een belletje als ze binnen zijn.

De jongen voor mij draagt ook lang haar, dat over zijn openstaande rugtas valt. Ik zie er een skateboard uitsteken. Hij heeft een vraag. Of ze iets van Bent verkopen. De winkelier kent het Britse elektronische chill-out duo, maar moet dan wel zaken bestellen.

‘Oh nee, dat lukt niet.’ moet hij de jongen teleurstellen, ‘Misschien wel bij mijn Amerikaanse leverancier.’ ‘All right, hebben we het dat wel over Programmed to Love?’ vraagt de jongen.

‘Inderdaad.’

Zijn vriendin in groene legerjas is onder de indruk. Zoveel kennis van chill-out muziek bijeen. Of hij een telefoonnummer mag? Zijn vriendin heeft dat wel. Hij niet.

Hij luistert liever naar lagers van skateboards in de half pipe, chill-out muziek, of helemaal niets.

The sound of silence.


Freelancers

Freelancer

‘Wat leuk jou weer eens te zien!’ Ze meent het; het is lang geleden, maar wat hadden ze het destijds leuk samen op dat project. De trein houdt halt bij Sloterdijk. Hun gesprek mindert allerminst vaart.

‘Tsja, Gertjan.’ zucht ze hardop, ’Hij heeft wel op het lijstje gestaan van mannen die niet deugen.’ Haar gesprekspartner knikt instemmend. ‘Maar,’ vervolgt ze, ‘wat daar gebeurde is kinderspel vergeleken met wat ik bij het UWV heb gezien.’

Zijn interesse is gewekt.

Hij is ook snel van begrip. ‘Nou, dan kun je inderdaad wel even een winkeltje beginnen op kosten van een ander’, briest hij. Zij kijkt even triomfantelijk door de coupé. ‘Toch’, fluistert ze nu, ’heb ik bijna alles aan Gertjan te danken.’ Als ze er aan terug denkt: ‘Vier handen op een buik waren we.’

‘En jij, wat doe jij nu?’ ‘Nog altijd crediteurenadministratie,’ mompelt hij, ‘ad interim.’ Hij praat bij nader inzien minder graag in volle treinen dan hij dacht.

Zij heeft daar geen moeite mee. Een gesprek dat stilvalt kent ze niet. Ongevraagd vertelt ze nog altijd in HR te zitten. Al drieëntwintig jaar.

Station Haarlem nadert. Ze lopen samen richting balkon.

Een carrièreswitch heeft ze nooit overwogen. Overigens vindt ze het na al die jaren reorganiseren nu eens leuk om aan iets te bouwen. Zelfs met collega’s die het minder nauw nemen.

‘Gertjan zei het destijds al: nooit bovenop de baas gaan zitten, is niet handig.’

Ze wisselen nog eenmaal een blik uit. Weliswaar vluchtig, maar toch een van verstandhouding. Zoals freelancers dat kunnen.

Wanneer er iets te reorganiseren valt.


Ampera

Opel Ampera

Een tafereel dat zich vooral op zaterdagmiddagen voordoet. Na een geslaagd bezoek aan de dealer. Buurmannen met hun goedkeurende blikken, rondom de nieuwe auto in de straat.

Nu is het dinsdag. Er is geen dealer bezocht. De leasemaatschappij heeft vanochtend, met slagroomtaart en bos rozen, de auto bij kantoor afgeleverd. Er wordt elektrisch gereden; imago wordt steeds belangrijker en fijn voor de bijtelling.

Tegen de avond gaat hij bij zijn ouders langs. Ze wonen immers op de route naar huis. Het miezert aan de Brouwersvaart wanneer hij de lichten dimt en noodverlichting aandoet. De imposante Bavokerk op de achtergrond.

Hij gaat richting voordeur om aan te bellen, maar zijn vader komt de stoep al opgelopen. Een warme trui aan, Spaanse sloffen om de voeten.

Zijn zoon praat tegen hem. Over groene leds en de actieradius. In het licht van een straatlantaarn, met de armen in de zij, neemt zijn vader de auto zwijgzaam in zich op. Op ruim anderhalve meter.

Verder dan de buurmannen ooit stonden.


Motorkap

Motorkap

Ze stappen in op station Haarlem. Vier meiden. Naveltruitjes, panty’s met ladders, felgekleurde lipstick en neon kleurige rokjes. Bestemming Loveland festival in Amsterdam. Techno, house, maar vooral liefde aan de Sloterplas.

‘Wat was nou dat verhaal laatst, van op die motorkap?’ vraagt er een. Twee anderen proesten het uit, de laatste bloost. ‘Met Dimitri’ probeert de eerste haar vraag te verduidelijken. ‘Misschien is dit niet zo’n goed onderwerp voor de trein’ zegt de laatste in schaamte.

Voor de duidelijkheid: ze heeft nooit iets met Dimitri, laat staan een Dimitri gedaan. ‘Dat denkt iedereen maar.’ Ze is gewoon hele goede vriendjes met hem.

‘Maar je weet waar ik het over heb, als ik het over die motorkap heb, toch?’ ‘Ja-haa’, zegt ze geërgerd, ‘Maar daar had Dimitri niets mee te maken, dus.’ En vervolgens: ‘Kunnen we het over iets anders hebben?’

De andere drie zwijgen, kijken naar buiten. Sloterdijk. Grijze wolken, Klimhal Amsterdam, het spoor uit de richting Zaandam dat zich hier aansluit.

In gedachten afgedwaald naar hun vriendin, op een willekeurige motorkap, zonder Dimitri.


Marsmanplein

Jan Smit
Het lege springkussen wordt opgeruimd als wij aan komen rijden. We bezoeken de opening van het vernieuwde Marsmanplein in Haarlem-Noord. Eerder vanmiddag verrichte de burgemeester al de officiële handeling. Over vijf minuten volgt de apotheose in een optreden van Jan Smit.

Een koude eerste junidag, nog veel jassen met bontkragen. Het waait hard op het plein dat wordt omringd door winkels en appartementen. Bert’s Haarmode, Bloemsierkunst Teeuwen, maar ook bekende namen als Albert Heijn en Kruidvat. Het is druk, heel druk. Met rolstoelen, rollators, kinderwagens en kinderen op de nekken van hun vaders.

Ik zie Horeca, Toiletten en EHBO aangegeven. Hier staat wat te gebeuren. Twee jongens maken een six pack soldaat. Een meneer slaat zijn armen om zijn vrouw heen. De eenzame man met boodschappentas die stoïcijns het plein oversteekt. Politieagenten staan vredig tussen het publiek. Net als beveiligingsmedewerkers in hun donkerblauwe jassen.

Het publiek wordt opgewarmd. ‘Marsmanplein, zijn jullie er klaar voor?’ vraagt de speaker, ‘Hierrr is Jááán Smit.’ Kinderen op nekken, op bankjes en op plantenbakken. Om maar een glimp van de zanger op te kunnen vangen. Jan zingt ondertussen over echte vrienden. Hij draagt een warme trui tegen de kou.

Bij aangrenzende appartementen staan balkons vol. Complete families zijn uitgenodigd. Om mij heen wordt zachtjes meegezongen. Jan heeft ervaring met pleinen. Hij speelt met zijn publiek. Hij is trots om onderdeel uit te mogen maken van deze opening. Ook doet hij verzoeknummers. Laura wil iemand horen. Jan zingt Laura. Een band met zijn eigen stem draait mee. Na afloop van het lied krijgt Jan kindertekeningen.

Dan breekt voor heel even de zon door. Jan zingt over een tuintje in zijn hart. Om mij heen worden halve liter blikken Amstel opengetrokken en joints opgestoken. Zonnebankbruine dames drinken uit kleine flesjes meegebrachte prosecco en witte wijn. De bediening bij bar Vincenzo heeft het rustig.

Jan SmitDik tevreden is men over de verbouwing. ‘Het is zo gewoon een lekker winkelgebiedje’ hoor ik. Leef nu het kan zingt Jan. En dat wordt gedaan. Vrouwen verdringen elkaar om Jans blik op te vangen. Een dame hangt zelfs over de motorkap van een achter het podium geparkeerde auto. Mobieltjes in de lucht om het juiste plaatje te schieten. Een meneer vindt het helemaal niets. Hij rolt nog maar een sjekkie.

Jan kondigt alweer zijn laatste liedje aan. Als de nacht verdwijnt. ‘Marsmanplein met z’n allen’, zweept hij de massa op. Zijn Volendamse snik sterft uit over het vernieuwde plein. Na het uitdelen van fotokaarten snelt Jan weg in zijn auto met chauffeur.

De 100% Pretband neemt over. Let Me entertain You zingen ze, terwijl het vernieuwde plein leegstroomt.