Vive La Frans

Vive La Frans

De onmiskenbare snik van Frans Bauer. ‘Wat kan het leven prachtig zijn. Het voelt als een romance.’ Frans logeert enige tijd met zijn broer in een vouwwagen op het terrein van een boerderij in de Provence. ‘Maris zegt altijd, zo weinig mogelijk olie’ zegt Frans tegen zijn broer, terwijl hij een ei probeert te bakken.

Frans draagt vandaag zijn badslippers, blauwe korte broek van Adidas en een knalroze polo. Josje van K3 komt langs. De heren geven het eerlijk toe, ze weten niet veel over Josje. ‘Wat vind ik het leuk om bij jou op bezoek te komen’ roept Josje enthousiast uit, wanneer ze Frans voor het eerst ziet. Ze draagt grote oorbellen, een jurkje en gympen. Een piepklein rugtasje, dat is alles wat ze meebrengt.

Josje komt uit een groot gezin, ging weleens eerder kamperen en is vrij opgevoed. Dat weet Frans snel te ontfutselen. Hoog tijd voor hem om haar de camping te laten zien, inclusief geïmproviseerde douche en gat in de grond. Het toilet. Maar dat is geen probleem voor Josje.

De twee gaan schilderen. In Arles nog wel, bij de bekende brug. Ze vragen zich af wanneer Van Gogh leefde: ‘Vijftiende, zestiende eeuw?’ Van Gogh was in elk geval een Brabo. ‘Je bent zo onrustig’ constateert Frans, ‘Neem de brug eerst eens even in je op.’ Hij toont zich een waar mensenmens: ‘Komen mislukte relaties door je onstuimigheid?’

De twee tonen elkaar hun werk. Frans heeft een zonnetje getekend in de rechterbovenhoek van zijn doek. Terwijl zijn broer de schilderijen probeert te verkopen, genieten Frans en Josje van een drankje op het terras. Laat Frans Josje maar vermaken. Later zitten de twee samen op een quad.

Volgende activiteit is het zoeken van truffels. Een lokaal boertje heeft zijn reusachtige varken meegebracht. Die wroet wat in de grond en haalt binnen de kortste keren enorme truffels boven. ‘Can I aai de pig?’ vraagt Frans in zijn beste Frans.

Tijd voor diepgang.

‘Wat wilde je vroeger worden?’ Juf. ‘Dat K3 zal best impact hebben gehad op je leven?’ Klopt. Frans is afgeleid als het varken zijn behoefte doet: ‘De truffels liggen hier gewoon voor het oprapen.’

Aan het eind van de middag geniet men van een truffelomelet voor de vouwwagen. Na het poetsen van de tanden toont Frans zich een heer. Hij brengt Josje naar haar tent. Later kijkt hij met zijn broer toe naar Josjes silhouet in het licht van een zaklamp. Ver weg van huis, ver weg van Maris.

De volgende morgen wekt Frans Josje. Ze maakt gebruik van de primitieve douche en kleedt zich voor de zoveelste keer om. Nu in een feloranje trainingsbroek. Na het ontbijt gaat ze er vandoor, Frans achterlatend.

Volgende week neemt Frans een modderbad met Joost Eerdmans.

Zanger, interviewer, levensgenieter.


Bestelling

Halfje bruin

‘Bent u de laatste?’ vraagt een oudere meneer aan de jonge vader vooraan de rij. Hij moet hard grinniken om zijn eigen grap. De vader knikt richting einde van de rij. Zo’n tien wachtenden achter hem. De meneer is een jaar of zeventig, glad geschoren, draagt een bril en groen geruite overhemd. Type vaste gast én op zoek naar een praatje.

Laatste in de rij is een zwijgzaam meisje van nog geen vier. Haar bestelling: twee krentenbollen. Gelukkig voor de vaste campinggast, meldt zich al snel een volwaardig gesprekspartner. Wederom een jonge vader. Behalve het weer blijkt meneer ook verstand van het bakkerswezen te hebben. Marketing, assortiment en klantenbinding. Ze passeren allemaal de revue.

‘Het blijft van dat mooie weer, geen ‘zuggie’ wind.’ Ik meen een West-Fries accent te horen. Hij blijkt uit Wieringerwerf te komen. Kop van Noord-Holland, daar waar de wind altijd waait. Uit beleefdheid informeert zijn gesprekspartner of meneer hier vaker komt. ‘Al jaren.’ Aan zijn intonatie te horen heeft hij het eerder over decennia, dan luttele jaren.

Hij weet van de hoed en de rand. ‘De bakkerij is ’s maandags gesloten, maar komt hier gewoon’ en ‘Ze draaien hier meer omzet, dan een hele dag in het dorp.’ Z’n gesprekspartner veinst ontzag en ziet vooral toe of de rij al enigszins slinkt. Maar zo makkelijk komt hij er niet vanaf.

‘Ik heb ze ook al eens gezegd: als jullie geen normaal brood verkopen, kom ik niet meer.’ Sindsdien zijn er naast ‘luxe broodjes’ ook halfjes wit en bruin te koop. Dankzij hem kan men ook bestellen. ‘Dan vraag ik weleens: kunnen jullie die vlaai vast in acht punten snijden?’ Ook heeft hij ze weleens gezegd ‘wat voor de kinderen te doen.’ Die krijgen sinds kort een klein broodje. Helemaal gratis.

Ze mogen maar wat blij zijn bij de bakker, met zo’n adviseur.

Inmiddels is het kwart over negen, terwijl openingstijden zich normaal tot negen uur beperken. Op vier klanten na is de rij verdwenen en daarmee ook het ruime assortiment. Ik bestel twee resterende broodjes, maar daarna valt het stil.

‘Twee krentenbollen’ vraagt het meisje met de euromunt in haar hand achter mij. Voor even ben ik teruggeworpen in de tijd, op de camping in Frankrijk (‘deux baguettes’ fonetisch erin gestampt en precies voldoende francs in mijn knuistjes geklemd). Maar de krentenbollen zijn op. Ook een gratis klein broodje maakt nog geen krentenbol. Heel vervelend, maar voor de vaste campinggast geen probleem.

Die heeft z’n halfje bruin apart laten leggen.


Verlaten

Tumbleweed

De ideale manier om het Limburgse heuvelland te verkennen is per tweewieler. De warmste dag van het jaar. Juist daarom een groot plezier om in de rijwind de heuvel van Schinnen naar Thull af te dalen. Bij de Alfa brouwerij linksaf. De ANWB knooppunten brengen mij langs dorpen als Vaersrade en Voerendaal.

Het is mijn huurfiets en ik vandaag. Vrijwel niemand laat zich zien. Slechts een enkele fietser of boer. De laatste opgesloten in de anonimiteit van zijn dorsmachine. Verder lege weilanden, straten en dorpspleinen. Oké, een enkele kat die de straat oversteekt. Rolluiken zijn hier, naar goed Belgisch gebruik, gesloten. Liever de koelte van het eigen huis, dan de hitte van buiten.

Ik vraag mij af waar de mensen vandaag zijn, terwijl ik de heuvels van Klimmen beklim. Nieuwe aardappels en kersen worden hier aan de kant van de weg in onbemande stands verkocht.

Wanneer ik in volle vaart de afdaling richting Valkenburg inzet, wordt mijn overpeinzing beantwoord. Een volle bolderkar met kinderen van familiecamping ’t Hemelke tuft de heuvel juist op. De straten van het toeristische stadje zijn afgeladen. Hier is iedereen.

Het Grendelplein richting Cauberg is niet rustiger. Horeca aan weerskanten. Café Au Soleil in de volle zon. Schreeuwerige aanbiedingen van cocktails en Mexicaans eten op krijtborden. Wanneer ik in de eerste versnelling bijna de top van de berg heb bereikt, mindert een busje met caravan naast mij vaart. De zijdeur zwaait open en twee roodverbrande heren kijken mij aan. In West-Fries accent vragen ze mij naar de camping. Buiten adem knik ik richting de toegangspoort, nog geen vijftig meter verderop.

De afdaling biedt gelukkig verkoeling. Iets dergelijks moeten ook de honderden bezoekers van zwembad de Valkenier hebben bedacht. De weeïge lucht van joints vermengt zich hier met chloor. Nog slechts een paar plekjes zijn vrij op het overvolle grasveld.

Maar zodra ik koers zet richting Houthem overvalt mij opnieuw de rust. Gesloten ramen en deuren. Nog net geen tumbleweed dat door lege straten rolt. In Groot Haasdal, in werkelijkheid een klein dorp –misschien een fractie groter dan het naastgelegen Klein Haasdal-, eindelijk een teken van leven. Een vlag en schooltas in de mast. Geslaagd. Misschien een goede reden om deze verstikkende omgeving te verlaten.

Hoewel het maar twaalf kilometer fietsen is naar de hogeschool in Maastricht.


Inpakken

Kamperen

‘Dick, Dick, ik hoor druppels.’ Het is zeven uur ’s ochtends, een jaar of vijfentwintig geleden in de Ardèche. Een vroege regenbui die de laatste ochtend van de vakantie verstoord. Vanonder het gordijn, dat het slaapvertrek van mijn zus en mij met dat van mijn ouders scheidt, wordt bruut de stop uit mijn luchtbed getrokken.

Vervolgens met een militaire discipline: wassen, aankleden, tent opruimen. Daarna achthonderd kilometer autoroute. Met een bepoedersuikerd koffiebroodje op de achterbank. Bert & Ernies Sipje en Sopje op de Sony walkman. Eventuele ruzies zullen worden voorkomen door de oranjebruine koelbox tussen mijn zus en mij in.

Van het tent opzetten, noch inpakken heb ik weinig levendige herinneringen. Behalve stukken tentpaal met gekleurde stickers, een hallucinante hoeveelheid haringen, een bezwete vader en een geagiteerde moeder. Ik zat meestal rustig in de schaduw toe te kijken. Geen stress voor mij.

Een jaar of vijfentwintig later parkeert een buurman van twee tenten verderop met ijzeren precisie zijn zilvergrijze Renault Megane naast de heg. De klep gaat open, net als het voor- en achterportier op links. Ook wordt de aanhanger met routineus gebaar aangekoppeld. De beige plasemmer met bruine deksel wordt ernaast gezet.

Gisteren zaten de twee nog boven een glas rode wijn voor zich uit te staren, in het flauwe licht van twee lichtblauwe geurkaarsen. Vanochtend wordt er ingepakt. De tent is droog, maar een bui dreigt. Doorwerken.

Allereerst de luifel. Met enkele handbewegingen is die los. Die wordt over de aanhanger gedrapeerd en van vuil ontdaan. Vervolgens de met gelijke afstand geplaatste haringen. Een voor een wordt de modder eruit geklopt. Dan de inloopmat. Even samen. Een, twee, drie, vier bewegingen en ook deze is opgevouwen. Dit heeft men vaker gedaan.

Wanneer de tent eenmaal in de aanhanger zit, is het tijd voor een energiereep. Gezeten op de blauwwitte plastic tuinstoelen wordt deze vanuit het cellofaantje verorberd. Niets zo vervelend als van die kleverige vingers.

Hij laat zijn onderarmen rusten op de armsteunen. De knieën triomfantelijk over elkaar geslagen. Zij pakt haar koffiemok van het gras. Met z’n tweeën te midden van georganiseerde chaos.

Alleen wat laatste plastic tassen die nog ingeladen moeten worden. Overzicht. Een energiereep en een kop koffie naast de gele plek die is achtergebleven in het grasveld.

Het bewijs dat zij hier samen waren.


Bakkerij Extra

BakkerijExtraSchinnen

Regendruppels van vannacht staan nog op het tentdoek. Dauw op het gras glinstert in het ochtendlicht. Maïs op de heuvels om mij heen, voor zover ik kan zien. Het is pas vijf over zeven, maar de zon werpt haar licht al over de hoger gelegen terrassen van de camping.

De meeste tenten zijn nog in stilte gehuld. Bij het toiletgebouw heerst al meer bedrijvigheid. Jonge ouders. Ook op vakantie wordt hen het ochtendritueel niet onthouden. ‘Ik heb overgegeven en mijn zusje ook’ vertrouwt een meisje mij toe. ‘Maar mijn broertje niet.’ Doordringende luchtjes bij de herentoiletten. Buiten in de vitrine aankondigingen van kerkdiensten in de wijde omtrek en het telefoonnummer van de huisarts in het dorp.

Een ommetje leert de campingbezoeker dat om half negen Bakkerij Extra uit Schinnen haar waren op de camping komt verkopen. Om kwart over acht staat een mevrouw met kort kapsel, wit hemd en bruine driekwartsbroek al voor het toiletgebouw te wachten. De armen over elkaar. Ze ontvangt als het ware de laatkomers, die na haar aansluiten.

Wanneer een kwartier later de donkerblauwe bus van de bakker het erf op rijdt, heeft zich een rij van een man of twintig gevormd. Een man, jaar of zeventig met een groen geruit overhemd en bril, passeert de rij. ‘Goedemorgen allemaal’ mompelt hij binnensmonds. Waarschijnlijk een vaste gast.

Vlaaien, speltbrood, wit brood, bruin brood, krentenbollen. Alles wat haar man vanochtend vol passie bakte, wordt uitgestald door de bakkersvrouw. De mevrouw vooraan de rij kan een kleine doch triomfantelijke glimlach niet onderdrukken.

Het wachten beloond.


Op een mooie Pinksterdag

Zou Annie M.G. Schmidt het zo bedoeld hebben? De file richting strand begint al aan het Staten Bolwerk, vlak voor station Haarlem. Zij drinkt een blikje energy drink. Haar vriendin houdt een brandende sigaret uit het achterraampje. Hier en daar een arm of voet uit een autoraam gestoken. Turkse house klinkt op uit een zilvergrijze Mercedes. Niet veel verder zitten twee stoere manen in een Jeep Wrangler. Michael Jackson klinkt op. Ik fiets snel voorbij.

De file staat tot aan de rotonde in Bloemendaal. Daarna is het even gas geven tot de camping. Veel auto’s staan op deze hoogte al in de berm geparkeerd. Camping de Lakens is ‘full/belegt/vol’ volgens het bord bij de toegang. Parkeerplaatsen zijn vol. Fietsenrekken zijn vol. Het plein bij de strandopgang staat vol scooters en Dixi toiletten. Het is de wisseling van de wacht. Ouders met bakfietsen maken zich klaar om naar huis te gaan. Jongeren op scooters komen aan het begin van de middag net aan. Een verkeersregelaar smeert zich nog maar eens goed in. De zon brandt flink.

Er staat een ‘warme’ en ‘koude rij’ bij snackbar Henri aan de boulevard; wachttijd zo’n 30 minuten volgens het bord. Doordringende beats klinken op vanaf de strandpaviljoens beneden. Mensen die bij Bloomingdale naar binnen willen worden gefouilleerd. Drie dames bij Lido kijken verveeld voor zich uit. Hun fles witte wijn is op. Bij Beachclub Vroeger dreunen de bassen. Nope is dope. Een tiental waagt zich op de dansvloer in de brandende zon. Een grijze man van een jaar of veertig, bruinverbrand, afgetraind lijf, klokt zijn Corona achterover. Zijn vriendin, van top tot teen in de zonnebrandolie, lijkt op een andere planeet te verkeren.

Zomaar wat gesprekken voor Woodstock 69: ‘Iemand die zulke mooie borsten heeft, heeft niets nodig.’ Twee Engelse meisjes die voor een Dixi liggen te zonnen: ‘It smells like shit.’ Het is druk bij de mobiele viskraam van Kees visspecialiteiten. Bakluchten stijgen op. Niet veel later bij Vroeger is het dringen: een flinke rij tieners, rijbewijs in de hand. Ze willen naar binnen. De uitsmijter met dikke buik is duidelijk: ‘Meegebrachte flesjes in de prullenbak. Én dames en heren, allemaal even aansluiten.’ Een oudere meneer staat op afstand te jongleren.

Een paar kilometer verderop, in Zandvoort, dragen de jongens handtasjes, witte Birckenstock sandalen en Louis Vuitton petjes hoog op hun hoofden. Ze hebben gekke accentjes. Een gezette vrouw met hondje wil op het terras van Today at twelve plaatsnemen. Het is te duur volgens haar vriend. Een moeder en twee dochters zitten op een bankje aan de boulevard. Ze hebben alle drie een tatoeage van een vlinder op de rechterschouder. Twee Marokkaanse jongens liggen te blowen op hun scooter. Een ambulance rijdt voorbij, de trap van de boulevard af. ‘Je zou er maar in leggen,’ aldus een vrouw in onvervalst Amsterdams accent. Bij Mango’s staan de flessen wijn omgekeerd in de koelers. ‘Jij moet echt mee naar Ibiza,’ bespreken twee meisjes op badlakens in een zee van sigarettenpeuken.

Samen in de zon.


De rijdende rechter

Onrecht. Een onderwerp waarmee mr. Frank Visser graag korte metten maakt. Streng, doch rechtvaardig. Ditmaal een zaak met haast. Vanaf kasteel Radboud in Medemblik. Vandaag behalve de zitting ook direct de uitspraak. En dat in de zaak tussen de gemeente Wieringermeer en campingbewoners de heer Tonkes en meneer en mevrouw Wieten.

De situatie: Camping ‘Land uit Zee’ in Wieringerwerf is een perceel vergane glorie. Op drie laatste bewoners na compleet verlaten. Het gras staat hoog, chalets worden inmiddels afgebroken en het gemeenschappelijk sanitair heeft haar beste tijd gehad. Desalniettemin voor Jaap Tonkes “zijn paradijs op aarde”. Voor mevrouw Wieten nog altijd onbegrijpelijk dat de gemeente een andere bestemming heeft gevonden voor de campinggrond. “Huizen van een ton worden gesloopt, thermopane beglazing, alles erop en er aan.” De fluitketel zingt geruststellend op de achtergrond vanuit het keukentje in haar chalet. Koffiemolen aan de wand, kachel in de hoek. De laatste der Mohikanen eisen een schadevergoeding.

De intake: in de ridderzaal van het kasteel treffen we wethouder Ruiter. Iets te ruim pak met schoudervullingen, grijze manen over zijn slapen. Vermoeid gezicht, maar een hip montuur. De gemeente treft geen blaam. De opstalrechthouder had de recreanten moeten informeren. Meneer Tonkes heeft voor de gelegenheid een gemakkelijke trui aangetrokken. Mevrouw Wieten spreekt op geagiteerde toon haar afschuw uit over de gemeenteplannen. Ze is duidelijk, meneer Tonkes en zij eisen respectievelijk 30.000 Euro schadevergoeding.

De verkenning: waar meester Frank Visser als een dandy nog wel eens een choker draagt, is hij vandaag voorzien van laarzen en alpinopet. Alsof hij net de jachtvelden komt afgelopen. Arie van den Berg is met hem meegekomen om de twee chalets op de camping te taxeren. Opvallend is dat meneer en mevrouw Wieten apart slapen, twee eenpersoonsbedden. De Finse blokhut van meneer Tonkes was ooit een prijzig bouwpakket. De keuken is op maat gemaakt. De sloop van andere huisjes is in volle gang. Een toiletpot in het grasveld vormt een stille getuige.

De jury: hoewel niet van invloed, wel acht mensen met een mening. Presentatrice Jetske van den Elsen hoort hen uit. De één vindt dat eisers zeuren, anderen beroepen zich op goed fatsoen. Er is zeker geen sprake van een unaniem standpunt.

De hoorzitting: wethouder Ruiter blijft van mening dat eisers geen schadevergoeding toekomt. Technisch gesproken is volgens Arie sprake van een restwaarde van 0 Euro. Een chalet kun je niet verhuizen. De Finse blokhut wordt aardig gewaardeerd. Het huis van de familie Wieten is, “met alle respect”, minder waard. Eisers geven eens te meer aan misleid te zijn door de gemeente. Ze blijven bij hun eis.

De uitspraak: nog even de jury aan het woord. De meneer met het pochet in zijn colbert geeft de zaak duiding: “Wat je hier ziet is de kloof tussen burger en politiek.” Er lijkt wat meer sprake te zijn van consensus. Een beperkte vergoeding is op zijn plaats. Onder de theme song van ‘Mission impossible’ komt mr. Frank Visser op. Hij rept over behoorlijk bestuur, spreekt over groot geldelijk nadeel. Een van zijn stokpaardjes –het compromis- komt ook in deze zaak van pas. Er volgt geen volledige schadevergoeding, maar een tegemoetkoming. Respectievelijk 8.000 en 3.000 Euro. “Laat ze toch allemaal de kolere krijgen,” aldus mevrouw Wieten tegen wethouder Ruiter.

Dat is haar uitspraak, daar kan hij het mee doen.

Aflevering via Uitzending Gemist


Ik vertrek

Een van meest meeslepende programma’s op de Nederlandse televisie: Ik vertrek. Pijnlijk, schrijnend, moeizaam. Ik kan het vaak maar nauwelijks aanzien hoe onvoorbereid mensen huis en haard achterlaten, soms goede banen opgeven en kiezen voor het ongewisse: avonturiers! Heel soms pakt het goed uit, vaker eindigt het rampzalig. Het is makkelijk oordelen vanaf de bank. Je moet maar durven: een naturistencamping in Slowakije.

Printerservicemonteur Mark en lingerieverkoopster Margo zijn het namelijk zat. Hij elke dag, al 24 jaar, weer die printers (“stukje techniek, stukje natuur, dat elkaar soms hopeloos in de weg zit”), zij elke dag in de lingeriezaak in Eindhoven (“ik heb zelf een hele moeilijke maat”). Tijd voor wat anders. Iets heel anders. Slowakije. Een naturistencamping in Slowakije. De allereerste in dit land. “Een naturistencamping? Dat is heel wat anders dan kopieerapparaten,” aldus één van Marks spraakzame klanten.

Misschien hebben ze zich wat vergaloppeerd, aldus vrienden. Vanaf dag 1 willen ze een sauna, winkel en restaurant hebben om hun gasten zoveel mogelijk van dienst te zijn. Mark verliest zichtbaar zijn overtollige kilo’s voor de camera. Toch lijken ze hun draai te vinden. Enkele vrienden en familieleden helpen mee voor de opening van de camping. Ouders worden via de webcam in het rommelige kantoortje op de hoogte gehouden.

Ze spreken de taal niet en moeten nog zo veel regelen: warm water, parkeerplaatsen, een septic tank. En dan tegen alle verwachting, misschien zelfs hoop in, melden zich allerlei dorpsgenoten tijdens de dag van de opening. Er is immers nog veel te doen. Maar Mark en Margo zijn aanpakkers. Zowaar zijn elke plaatsen snel bezet, leert Margo gras maaien met een zeis en biedt het geïmproviseerde zwembad verkoeling. Ondanks dat het vaak regent in de Slowaakse zomers.

Maar het harde werken eist zijn tol. Er is een aanslag gepleegd op de weerstand. Althans, op die van Mark. Na een ‘echt Slowaaks’ diner met enkele campinggasten wordt Mark overvallen door een voedselvergiftiging. Een fraai bewijs van mannelijke kleinzerigheid wordt schitterend in beeld gebracht. Mark eet inmiddels een droog beschuitje en begint alweer wat kleur te krijgen. Eén van de gasten komt wat wasmiddel halen en Mark in zijn slaapkamer beterschap wensen. Poedelnaakt, dat wel. Het flauwe zonnetje door de vitrage werpt zwak licht op het Slowaaks behangmotief, de hond zit op bed en geeft Mark een pootje, de cellulitis en vetschort van de campinggast prominent in beeld gebracht. In de hand een met zeep gevulde wasbol. Wat kan ik hier nog aan toevoegen. Heel wat anders dan kopieerapparaten.