Rudolph’s Bakery

Rudolph van Veen

Het is maar zeer de vraag of Rudolph ooit chagrijnig is. In de keuken, zijn natuurlijk habitat, in elk geval niet. Bij het zappen, kanaal 24, stuit ik op Rudolph en zijn bakkerij. 24 Kitchen, dus vierentwintig uur per dag koken en eten, waarvan minstens de helft met hem.

Zijn wit gesteven koksbuisje, de geblondeerde haren zorgvuldig in een scheiding gekamd en de zwarte hoornen bril op de neus. Daarachter de twee meest stralende ogen die ik ooit zag. ‘In koken kan ik zo mijn creativiteit kwijt’ komt hij via de camera mijn huiskamer binnen. En ik geloof hem. Ik geloof Rudolph op zijn woord.

Vandaag begint hij voor twee recepten met hetzelfde basisdeeg. Weliswaar minder creatief, maar geen reden tot minder plezier. Gepassioneerd kneedt hij dat het hem een lieve lust is. Wat hem ook vrolijk stemt zijn de ontvangen kindertekeningen, die inmiddels een plaatsje op de koelkast in de studiokeuken hebben gekregen. ‘Kijk eens wat een prachtige, gevulde etagères. Ik krijg er helemaal trek van.’

Voor de hete bliksem-slof gaan aardappels op het vuur, wordt spek gekruid en schilt hij in een soepele beweging een appel. Voor de volle kersentaart is Rudolph maar wat blij dat hij in Las Vegas ooit een prachtige bakvorm vond. ‘Een Katrien Duck-taart is zo een fluitje van een cent.’ Hij ontdoet een pondje kersen van de pit, onderwijl alsmaar enthousiaster wordend.

Mocht hij dan toch een rol spelen, de weinige momenten waarop hij eruit valt is wanneer een garde, kom of bakblik niet meer nodig is. ‘Baf!’ klinkt het wanneer hij ze achteloos in de wasbak smijt. Verder? Een en al liefde, zwevend door zijn keuken.

Bakpapier of afdekfolie. Hij tovert ze –keurig op maat geknipt- tevoorschijn uit lades en kasten. Wat een routine, maar vooral ook pret. De kersentaart kan gevuld gaan worden. Als vulling van het deeg komt er eerst een laag van gesuikerde en gemalen noten. ‘Frangipane’ probeert hij de kijker uit te leggen. Sprekender is de metafoor die hij daarna gebruikt.

‘Zie dit als een matras. Een matrasje voor de heerlijke kersen.’ Wanneer hij de kom met de prachtige, zoete, donkerrode kersen ter hand neemt denkt Rudolph heel even dat het om levende wezens gaat.

‘Nou die gaan echt de trampoline springen nu!’ en ‘Als kersen konden praten riepen ze nu waarschijnlijk allemaal joehoe!’ Terwijl ik even moet bijkomen van deze culinaire poëzie is Rudolph alweer vrolijk verder gegaan met zijn vlechtwerk van repen deeg met kartelranden. ‘Instrijken met een klein beetje eistrijksel, zodat het deeg mooi gaat glimmen. Klein beetje suiker erop, voor wat knispering en twinkeling aan de bovenkant.’

Alsof het niets is.

Rudolph van Veen


Bestelling

Halfje bruin

‘Bent u de laatste?’ vraagt een oudere meneer aan de jonge vader vooraan de rij. Hij moet hard grinniken om zijn eigen grap. De vader knikt richting einde van de rij. Zo’n tien wachtenden achter hem. De meneer is een jaar of zeventig, glad geschoren, draagt een bril en groen geruite overhemd. Type vaste gast én op zoek naar een praatje.

Laatste in de rij is een zwijgzaam meisje van nog geen vier. Haar bestelling: twee krentenbollen. Gelukkig voor de vaste campinggast, meldt zich al snel een volwaardig gesprekspartner. Wederom een jonge vader. Behalve het weer blijkt meneer ook verstand van het bakkerswezen te hebben. Marketing, assortiment en klantenbinding. Ze passeren allemaal de revue.

‘Het blijft van dat mooie weer, geen ‘zuggie’ wind.’ Ik meen een West-Fries accent te horen. Hij blijkt uit Wieringerwerf te komen. Kop van Noord-Holland, daar waar de wind altijd waait. Uit beleefdheid informeert zijn gesprekspartner of meneer hier vaker komt. ‘Al jaren.’ Aan zijn intonatie te horen heeft hij het eerder over decennia, dan luttele jaren.

Hij weet van de hoed en de rand. ‘De bakkerij is ’s maandags gesloten, maar komt hier gewoon’ en ‘Ze draaien hier meer omzet, dan een hele dag in het dorp.’ Z’n gesprekspartner veinst ontzag en ziet vooral toe of de rij al enigszins slinkt. Maar zo makkelijk komt hij er niet vanaf.

‘Ik heb ze ook al eens gezegd: als jullie geen normaal brood verkopen, kom ik niet meer.’ Sindsdien zijn er naast ‘luxe broodjes’ ook halfjes wit en bruin te koop. Dankzij hem kan men ook bestellen. ‘Dan vraag ik weleens: kunnen jullie die vlaai vast in acht punten snijden?’ Ook heeft hij ze weleens gezegd ‘wat voor de kinderen te doen.’ Die krijgen sinds kort een klein broodje. Helemaal gratis.

Ze mogen maar wat blij zijn bij de bakker, met zo’n adviseur.

Inmiddels is het kwart over negen, terwijl openingstijden zich normaal tot negen uur beperken. Op vier klanten na is de rij verdwenen en daarmee ook het ruime assortiment. Ik bestel twee resterende broodjes, maar daarna valt het stil.

‘Twee krentenbollen’ vraagt het meisje met de euromunt in haar hand achter mij. Voor even ben ik teruggeworpen in de tijd, op de camping in Frankrijk (‘deux baguettes’ fonetisch erin gestampt en precies voldoende francs in mijn knuistjes geklemd). Maar de krentenbollen zijn op. Ook een gratis klein broodje maakt nog geen krentenbol. Heel vervelend, maar voor de vaste campinggast geen probleem.

Die heeft z’n halfje bruin apart laten leggen.


Bakkerij Extra

BakkerijExtraSchinnen

Regendruppels van vannacht staan nog op het tentdoek. Dauw op het gras glinstert in het ochtendlicht. Maïs op de heuvels om mij heen, voor zover ik kan zien. Het is pas vijf over zeven, maar de zon werpt haar licht al over de hoger gelegen terrassen van de camping.

De meeste tenten zijn nog in stilte gehuld. Bij het toiletgebouw heerst al meer bedrijvigheid. Jonge ouders. Ook op vakantie wordt hen het ochtendritueel niet onthouden. ‘Ik heb overgegeven en mijn zusje ook’ vertrouwt een meisje mij toe. ‘Maar mijn broertje niet.’ Doordringende luchtjes bij de herentoiletten. Buiten in de vitrine aankondigingen van kerkdiensten in de wijde omtrek en het telefoonnummer van de huisarts in het dorp.

Een ommetje leert de campingbezoeker dat om half negen Bakkerij Extra uit Schinnen haar waren op de camping komt verkopen. Om kwart over acht staat een mevrouw met kort kapsel, wit hemd en bruine driekwartsbroek al voor het toiletgebouw te wachten. De armen over elkaar. Ze ontvangt als het ware de laatkomers, die na haar aansluiten.

Wanneer een kwartier later de donkerblauwe bus van de bakker het erf op rijdt, heeft zich een rij van een man of twintig gevormd. Een man, jaar of zeventig met een groen geruit overhemd en bril, passeert de rij. ‘Goedemorgen allemaal’ mompelt hij binnensmonds. Waarschijnlijk een vaste gast.

Vlaaien, speltbrood, wit brood, bruin brood, krentenbollen. Alles wat haar man vanochtend vol passie bakte, wordt uitgestald door de bakkersvrouw. De mevrouw vooraan de rij kan een kleine doch triomfantelijke glimlach niet onderdrukken.

Het wachten beloond.