Apenheul

Apenheul

Het is aansluiten bij de toegangspoort tot het parkeerterrein. De allerlaatste plaatsen vullen zich snel. Het is hier sjokken achter kinderwagens; nog een hele wandeling door park richting entree. Als opwarmer alvast wat huisregels, op grote borden langs het pad. Het is voelbaar: men is er op de valreep nog even tussenuit. Morgenvroeg weer boterhammen smeren, naar school, aan het werk.

De laatste dag van de zomervakantie.

Ondanks het late tijdstip staat er nog altijd een rij bij de kassa en kaartcontrole. Vervolgens graait men naar zogenoemde aapvrije tassen. De apen in de Apeldoornse bossen hebben een reputatie. Om te beginnen de doodshoofdapen. Gele vacht, zwart-witte gezichten. Ondanks waarschuwingen worden aapjes opgetild, geaaid en massaal gefotografeerd. Kinderen rennen achter de kleine beestjes aan.

Door de mensenmassa is het op slentertempo richting Lazy Monkey Café. De eerste stop. Hier koffie, frisdrank en enorme gevulde koeken. Slimmeriken hebben zelf iets meegebracht. Pakjes drinken, snoep en chips komen uit vooronders van menig kinderwagen.

Via halfapen en passieve bonobo’s betreedt men opnieuw een zogenoemde aapvrije zone. Hier overheerst vooral apengedrag. Gedrang in de kinderboerderij, op klimtoestellen of in de rij voor snackbar of toilet. Kinderen rennen andere kinderen hier omver en vaders kijken er boos bij.

Net als in de natuur.

Wanneer men de drukte achter zich laat treft men een gigantisch maar leeg verblijf van oerang oetans aan. Althans, de laatste lange roodharige vacht verdwijnt net naar binnen. Gemok op tribunes, maar geef de apen eens ongelijk. Binnen is het kalm. Een hangmat, hooi en onbeperkt verse groente.

Aan de andere kant van het verblijf schiet een ondeugend klein aapje naar buiten. Hij rent rond met een krop andijvie. Voor een meisje en haar broertje dé beloning voor het lange wachten. Ze klimmen van plezier op rotsblokken. Alles voor een beter uitzicht. De zichtbaar ongeduldige vader en vermoeide zwangere moeder kijken toe. Morgen begint alles weer van vooraf aan.

Het is ze aan te zien.

‘Hier komen Serena, niet doen!’ brult de moeder, ‘Is ‘nee’ in ene ‘ja’ geworden?’ Vader zucht vanachter zijn zonnebril. Ook het broertje komt hier niet mee weg. ‘Van die blokken, ander ga je vanavond meteen naar bed.’ Beteuterd klauteren de twee van het muurtje.

In de natuur gelden geen huisregels. Op de achtergrond werpt het kleine aapje de krop andijvie naar zijn moeder.


Samen apart

Red Cycling Short

Zij is halverwege de dertig. Hij is minstens tien jaar ouder. Zij is lang, slank, blond en heeft een Limburgs accent. Hij is niet van hier, heeft lang golvend bruin haar, ietwat grijs op de slapen en geschoren benen. Daarover later meer. Zij is meestal van het initiëren, het organiseren. ‘Zullen we even afwassen?’ of ‘Zullen we samen daar naartoe?’ Een gezonde mix tussen dat wat moet gebeuren en samen ondernemen. Het is tenslotte vakantie.

Hij zit ’s ochtendsvroeg in zijn witte longsleeve voor zijn tent. Een kop koffie en de krant. Daarna, bij de eerste zonnestralen, in strak zwart wit hemd met routekaart. Fietsroutes van Zuid-Limburg. Een hand gaat nonchalant door het haar. Meestal is dat het moment dat zij, dán nog goed van zin, de tent uitkomt. Als ze hem dan zelfgenoegzaam ziet zitten, in gedachten al op racefiets door heuvelland gaande, is de pret er snel af.

Omdat ze in de buurt wonen, had ze eergisteren haar ouders uitgenodigd. Heel vaak hadden ze hun ‘schoonzoon’ nog niet ontmoet. Dat was duidelijk. Het waren vooral moeder en dochter die in dialect praatten. Vader bleef zwijgzaam. Had misschien liever een Limburgse schoonzoon gezien, of gewoon een met haar op de kuiten. Het gesprek bleef wat oppervlakkig, ‘niveau kennismaken’. ‘Maurice heeft vandaag weinig kilometers kunnen maken’ vertelde ze haar ouders nog die rond tien uur opstapten. Daarna viel het ijzig stil tussen de twee achterblijvers.

De volgende ochtend leek het erop ‘dat hij weer mocht’. In alle vroegte klikte zijn schoenen al vast in de pedalen. Een rode fietsbroek en een wit tricot. Energierepen in de achterzak, twee bidons met water in het frame. Zij keek niet blij toen hij wegreed, maar het was nu eenmaal zo afgesproken.

Pas laat in de middag keerde hij terug. Als snel vertrokken ze samen van het kampeerterrein. Misschien uit eten in Maastricht? Een laatste lijmpoging om er samen het beste van te maken?

Maar vanochtend zit hij alleen. Alleen aan zijn kop koffie en de krant. Daarna de routekaart en de hand door het haar, maar van haar ontbreekt elk spoor. Hij loopt de tent in en keert terug in stemmig zwart wielertenue. Nog even de tijd nemen om armen en benen in te smeren met zonnebrandolie. Een gesoigneerd uiterlijk zoals een goed renner betaamt.

Het vastklikken in de pedalen en weg is hij. De tent alleen achterlatend. Alleen de rode fietsbroek van gisteren, als stille getuige, wapperend aan de waslijn.

Herinnering aan toch een week samen. Apart.


Bestelling

Halfje bruin

‘Bent u de laatste?’ vraagt een oudere meneer aan de jonge vader vooraan de rij. Hij moet hard grinniken om zijn eigen grap. De vader knikt richting einde van de rij. Zo’n tien wachtenden achter hem. De meneer is een jaar of zeventig, glad geschoren, draagt een bril en groen geruite overhemd. Type vaste gast én op zoek naar een praatje.

Laatste in de rij is een zwijgzaam meisje van nog geen vier. Haar bestelling: twee krentenbollen. Gelukkig voor de vaste campinggast, meldt zich al snel een volwaardig gesprekspartner. Wederom een jonge vader. Behalve het weer blijkt meneer ook verstand van het bakkerswezen te hebben. Marketing, assortiment en klantenbinding. Ze passeren allemaal de revue.

‘Het blijft van dat mooie weer, geen ‘zuggie’ wind.’ Ik meen een West-Fries accent te horen. Hij blijkt uit Wieringerwerf te komen. Kop van Noord-Holland, daar waar de wind altijd waait. Uit beleefdheid informeert zijn gesprekspartner of meneer hier vaker komt. ‘Al jaren.’ Aan zijn intonatie te horen heeft hij het eerder over decennia, dan luttele jaren.

Hij weet van de hoed en de rand. ‘De bakkerij is ’s maandags gesloten, maar komt hier gewoon’ en ‘Ze draaien hier meer omzet, dan een hele dag in het dorp.’ Z’n gesprekspartner veinst ontzag en ziet vooral toe of de rij al enigszins slinkt. Maar zo makkelijk komt hij er niet vanaf.

‘Ik heb ze ook al eens gezegd: als jullie geen normaal brood verkopen, kom ik niet meer.’ Sindsdien zijn er naast ‘luxe broodjes’ ook halfjes wit en bruin te koop. Dankzij hem kan men ook bestellen. ‘Dan vraag ik weleens: kunnen jullie die vlaai vast in acht punten snijden?’ Ook heeft hij ze weleens gezegd ‘wat voor de kinderen te doen.’ Die krijgen sinds kort een klein broodje. Helemaal gratis.

Ze mogen maar wat blij zijn bij de bakker, met zo’n adviseur.

Inmiddels is het kwart over negen, terwijl openingstijden zich normaal tot negen uur beperken. Op vier klanten na is de rij verdwenen en daarmee ook het ruime assortiment. Ik bestel twee resterende broodjes, maar daarna valt het stil.

‘Twee krentenbollen’ vraagt het meisje met de euromunt in haar hand achter mij. Voor even ben ik teruggeworpen in de tijd, op de camping in Frankrijk (‘deux baguettes’ fonetisch erin gestampt en precies voldoende francs in mijn knuistjes geklemd). Maar de krentenbollen zijn op. Ook een gratis klein broodje maakt nog geen krentenbol. Heel vervelend, maar voor de vaste campinggast geen probleem.

Die heeft z’n halfje bruin apart laten leggen.


Algemeen gebruik

Picknicktafel

Bij mijn weten betekent ‘voor algemeen gebruik’ voor iedereen en op elk moment. Dus niet altijd voor dezelfde personen. Toch zit het gezin nu een dag of twee aan de picknicktafel. Moeder, vader en twee zoons. Bij het ontbijt én het avondeten. Totdat de laatste zonnestralen op het maïsveld zijn verdwenen.

De twee weduwes in de naastgelegen tent zaten er een aantal dagen geleden nog graag, maar hebben zich geschikt in hun lot. De hardhouten tafel behoort nu toe aan de moeder met kort grijs haar, haar iets kleinere en kalende echtgenoot met snor en hun twee puberzonen.

Bij de pastasalade drinken de twee jongens een groot glas cola. Vader een pilsje en moeder een glas rosébier. Ze kijkt tevreden om zich heen wanneer haar man haar een tweede keer opschept. Het uitstapje voor de volgende middag is immers ook al geregeld. Ze heeft het maar weer mooi voor elkaar.

De volgende dag, rond vijf voor vier fietst het gezin het terrein van de Alfa brouwerij op. Thema bier. Want gepland of niet, allemaal dragen ze iets geels vandaag. De jongens shirts met drukke prints, zij een vaalgeel hemd en hij een polo van de scholengemeenschap waar hij misschien wel aardrijkskunde of maatschappijleer geeft.

Gerrit en Margriet heten hen en andere bezoekers welkom in de brouwerij. Het betreft een familiebedrijf, dus ook familiebezoek. En daar horen vlaai en koffie bij en voor de jongens een groot glas cola.

Met passie vertellen de gastheer- en vrouw over de bron, geschiedenis en het brouwproces. Het standaard repertoire aan grappen wordt afgewerkt. Zo gaan vragen tijdens de rondleiding van de effectieve drinktijd af. Vader en moeder wisselen naarmate de proeverij nadert steeds meer steelse blikken uit.

Iets na vijven tapt Gerrit de eerste biertjes en voor de jongens een groot glas cola. Zo lang het bezoek niet in de lampen hangt, zal hij nog bijna anderhalf uur -voor algemeen gebruik- de glazen vullen. Onderwijl gaat Margriet rond met speltbrood belegd met kaas en worst.

Moeder houdt het bij haar eerste glas Oud Bruin, terwijl vader voor zichzelf een glas Super Dortmunder regelt. Hij heeft pretoogjes achter zijn brillenglazen. De jongens hangen verveeld over de tafel heen.

Terwijl de grote groep Duitse toeristen per glas luidruchtiger wordt, besluiten vader en moeder nog een drankje te nemen. Zij kijkt hem wel ondeugend aan met een blik van ‘echt de laatste.’ Zij opnieuw een glas Oud Bruin, hij een Lentebok en, vooruit, de jongens nog een groot glas cola.

Terug op de camping zitten de jongens lamlendig in de informatieruimte op de computer te spelen. Vader en moeder zijn nergens te bekennen. Die melden zich een half uur later pas. Bij de picknicktafel. Moeder strijkt de plooien in haar rok glad. Haar korte grijze haar wat in de war. Vader draagt een fles cola onder de arm en een glimlach van oor tot oor.


Verlaten

Tumbleweed

De ideale manier om het Limburgse heuvelland te verkennen is per tweewieler. De warmste dag van het jaar. Juist daarom een groot plezier om in de rijwind de heuvel van Schinnen naar Thull af te dalen. Bij de Alfa brouwerij linksaf. De ANWB knooppunten brengen mij langs dorpen als Vaersrade en Voerendaal.

Het is mijn huurfiets en ik vandaag. Vrijwel niemand laat zich zien. Slechts een enkele fietser of boer. De laatste opgesloten in de anonimiteit van zijn dorsmachine. Verder lege weilanden, straten en dorpspleinen. Oké, een enkele kat die de straat oversteekt. Rolluiken zijn hier, naar goed Belgisch gebruik, gesloten. Liever de koelte van het eigen huis, dan de hitte van buiten.

Ik vraag mij af waar de mensen vandaag zijn, terwijl ik de heuvels van Klimmen beklim. Nieuwe aardappels en kersen worden hier aan de kant van de weg in onbemande stands verkocht.

Wanneer ik in volle vaart de afdaling richting Valkenburg inzet, wordt mijn overpeinzing beantwoord. Een volle bolderkar met kinderen van familiecamping ’t Hemelke tuft de heuvel juist op. De straten van het toeristische stadje zijn afgeladen. Hier is iedereen.

Het Grendelplein richting Cauberg is niet rustiger. Horeca aan weerskanten. Café Au Soleil in de volle zon. Schreeuwerige aanbiedingen van cocktails en Mexicaans eten op krijtborden. Wanneer ik in de eerste versnelling bijna de top van de berg heb bereikt, mindert een busje met caravan naast mij vaart. De zijdeur zwaait open en twee roodverbrande heren kijken mij aan. In West-Fries accent vragen ze mij naar de camping. Buiten adem knik ik richting de toegangspoort, nog geen vijftig meter verderop.

De afdaling biedt gelukkig verkoeling. Iets dergelijks moeten ook de honderden bezoekers van zwembad de Valkenier hebben bedacht. De weeïge lucht van joints vermengt zich hier met chloor. Nog slechts een paar plekjes zijn vrij op het overvolle grasveld.

Maar zodra ik koers zet richting Houthem overvalt mij opnieuw de rust. Gesloten ramen en deuren. Nog net geen tumbleweed dat door lege straten rolt. In Groot Haasdal, in werkelijkheid een klein dorp –misschien een fractie groter dan het naastgelegen Klein Haasdal-, eindelijk een teken van leven. Een vlag en schooltas in de mast. Geslaagd. Misschien een goede reden om deze verstikkende omgeving te verlaten.

Hoewel het maar twaalf kilometer fietsen is naar de hogeschool in Maastricht.


Recreatievijver

De Zeekoelen

‘Het is wel wat gedateerd’ vertelt de receptioniste, wanneer er wordt geïnformeerd naar een recreatievijver in de buurt. Op een dag als vandaag is iedereen op zoek naar verkoeling. Een gedateerde ambiance is bijzaak. Alhoewel, liever de relatieve rust van een recreatievijver dan de hysterische drukte van een tropisch zwemparadijs.

Dat het gedateerd is, heeft men zich op landgoed Brunssheim gerealiseerd. Het gaat wel tijdelijk ten koste van de rust. Respectievelijk een Liebherr happer, Komatsu shovel en Volvo kraan brengen het terrein rondom Natuurbad de Zeekoelen de zo gewenste metamorfose.

Dit doet niets af aan de lommerrijke parkeerplaats, de kleine frituur De Hartige Hap, het ministrand, de schommels en het enorme springkussen. Maar binnenkort verrijst hier zoveel meer om het de bezoeker naar de zin te maken. Denk midget golf, buiten barbecues en betonnen pingpongtafels.

De recreatievijver zelf, ondanks de brandende zon nog altijd blauwalgvrij, wordt gretig opgezocht. ‘Zwemmen tot de rode boeien’ staat op de borden, maar dat weerhoudt niemand ervan het water van alle mogelijke kanten te betreden.

Twaalf uur. Schafttijd. Groot materieel rijdt uit het zicht, tot achter de vakantiehuisjes. Vervolgens een eclectische mix van bouwvakkers en zonaanbidders. Het is niet duidelijk voor wie de harde housemuziek klinkt, noch voor wie de oranje Dixy toiletten zijn bedoeld. Wanneer de mannen met ontbloot bovenlijf plaatsnemen tussen badgasten gaan ze –net zo roodverbrand en getatoeëerd- op in de massa.

Een mevrouw kleedt zich om, een handdoek om haar middel geslagen. Twee oudere dames in badpak smeren elkaar in. Verderop stuitert een kind van het springkussen. Ouders snellen toe, terwijl een hard gekrijs opstijgt.

Een half uur later. Het sonore gebrom van een dieselmotor klinkt, een shovel begint weer te schuiven. Een klein meisje op het opgespoten stuk strand denkt de heren bouwvakkers te helpen door wat zand te verplaatsen, zij het door de lucht. Vader en moeder met respectievelijk halve liter bier en blikje energy drink kijken toe. ‘Niet met zand gooien, Amber’ bitst haar moeder. ‘Of je gaat naar de auto.’

Volgende keer maar weer een tropisch zwemparadijs. Ik zie het haar denken.


Inpakken

Kamperen

‘Dick, Dick, ik hoor druppels.’ Het is zeven uur ’s ochtends, een jaar of vijfentwintig geleden in de Ardèche. Een vroege regenbui die de laatste ochtend van de vakantie verstoord. Vanonder het gordijn, dat het slaapvertrek van mijn zus en mij met dat van mijn ouders scheidt, wordt bruut de stop uit mijn luchtbed getrokken.

Vervolgens met een militaire discipline: wassen, aankleden, tent opruimen. Daarna achthonderd kilometer autoroute. Met een bepoedersuikerd koffiebroodje op de achterbank. Bert & Ernies Sipje en Sopje op de Sony walkman. Eventuele ruzies zullen worden voorkomen door de oranjebruine koelbox tussen mijn zus en mij in.

Van het tent opzetten, noch inpakken heb ik weinig levendige herinneringen. Behalve stukken tentpaal met gekleurde stickers, een hallucinante hoeveelheid haringen, een bezwete vader en een geagiteerde moeder. Ik zat meestal rustig in de schaduw toe te kijken. Geen stress voor mij.

Een jaar of vijfentwintig later parkeert een buurman van twee tenten verderop met ijzeren precisie zijn zilvergrijze Renault Megane naast de heg. De klep gaat open, net als het voor- en achterportier op links. Ook wordt de aanhanger met routineus gebaar aangekoppeld. De beige plasemmer met bruine deksel wordt ernaast gezet.

Gisteren zaten de twee nog boven een glas rode wijn voor zich uit te staren, in het flauwe licht van twee lichtblauwe geurkaarsen. Vanochtend wordt er ingepakt. De tent is droog, maar een bui dreigt. Doorwerken.

Allereerst de luifel. Met enkele handbewegingen is die los. Die wordt over de aanhanger gedrapeerd en van vuil ontdaan. Vervolgens de met gelijke afstand geplaatste haringen. Een voor een wordt de modder eruit geklopt. Dan de inloopmat. Even samen. Een, twee, drie, vier bewegingen en ook deze is opgevouwen. Dit heeft men vaker gedaan.

Wanneer de tent eenmaal in de aanhanger zit, is het tijd voor een energiereep. Gezeten op de blauwwitte plastic tuinstoelen wordt deze vanuit het cellofaantje verorberd. Niets zo vervelend als van die kleverige vingers.

Hij laat zijn onderarmen rusten op de armsteunen. De knieën triomfantelijk over elkaar geslagen. Zij pakt haar koffiemok van het gras. Met z’n tweeën te midden van georganiseerde chaos.

Alleen wat laatste plastic tassen die nog ingeladen moeten worden. Overzicht. Een energiereep en een kop koffie naast de gele plek die is achtergebleven in het grasveld.

Het bewijs dat zij hier samen waren.


Blotevoetenpark

Blotevoetenpark

Schoenen en slippers kan men achterlaten bij de ingang. Althans wanneer men die kan vinden. Het is namelijk druk in Brunssum. Een overvolle parkeerplaats. Duitse touringcars met draaiende motoren. Stuk voor stuk gasten voor het Blotevoetenpark: een aandachtsvolle wandeling door de natuur. Een levenspad, voor jong en oud.

In het begin wat onwennig. Op bloten voeten over bospad, houtschilfers en kiezels. Uiteindelijk plezier. Stopzand, bamboe en houten paaltjes voelen het prettigste aan.

Bij modderpoelen slaat onrust toe. Althans bij bezorgde moeders en oma’s. Niet bij hun (klein)kinderen. Twee broertjes, rood haar, sproetjes én rugtasjes vol kadetjes op de rug, weten er wel raad mee. Ze gaan lachend door de prut.

Er daalt een oma op steunkousen een trap af. Ze kiest de alternatieve route. Haar kleinkinderen stampen wél met plezier door de plassen. Vol trots laten ze oma hun pikzwarte handen en voeten zien.

De hindernisbaan over de diepe vijver is menig moeder te veel. Het water wordt met wantrouwen bekeken. ‘Blauwalg.’ Om over de gevaren van het pad zelf nog maar te zwijgen. ‘Je hebt je mobiel nog in je zak, Gert’ en ‘Je zal niet de eerste zijn die erin kukelt’ klinkt het richting echtgenoten. De heren hebben er geen oren naar.

Mannen worden hier jongens.

Het daarop volgende deel van de route hangt vol levensspreuken en meditatieve tips. De wijsheden worden in stilte opgenomen. ‘Waarom zou je rennend door het leven gaan als je ook kunt wandelen.’

Richting uitgang is nog een hindernisbaan. ‘Kijk eens wat spannend’ mompelt een vermoeide moeder vanachter haar zonnebril. Ze draagt kort haar, een afgeknipte spijkerbroek en een vaal roze hemd. De kinderen van twee gezinnen stuiven richting eerste obstakels. De vaders, in wielertenues, erachteraan. Zij en haar vriendin nemen zwijgzaam hun camera’s ter hand. ‘Ja, ik ben ook een klein kind’ werpt de man in fietsbroek haar vanaf de evenwichtsbalk toe.

Bij de Keltische hut begint het te regenen. Het is rechtsaf richting onthaastingscirkel, maar menigeen beent al richting uitgang. De moeder van zo-even loopt om de laatste modderpoel heen terwijl ze onbewust het Blotevoetenpark, de dag, zo niet het leven samenvat.

‘Dat vind ik wel goed geregeld. Je kunt ook overal om hindernissen heen.’


Bakkerij Extra

BakkerijExtraSchinnen

Regendruppels van vannacht staan nog op het tentdoek. Dauw op het gras glinstert in het ochtendlicht. Maïs op de heuvels om mij heen, voor zover ik kan zien. Het is pas vijf over zeven, maar de zon werpt haar licht al over de hoger gelegen terrassen van de camping.

De meeste tenten zijn nog in stilte gehuld. Bij het toiletgebouw heerst al meer bedrijvigheid. Jonge ouders. Ook op vakantie wordt hen het ochtendritueel niet onthouden. ‘Ik heb overgegeven en mijn zusje ook’ vertrouwt een meisje mij toe. ‘Maar mijn broertje niet.’ Doordringende luchtjes bij de herentoiletten. Buiten in de vitrine aankondigingen van kerkdiensten in de wijde omtrek en het telefoonnummer van de huisarts in het dorp.

Een ommetje leert de campingbezoeker dat om half negen Bakkerij Extra uit Schinnen haar waren op de camping komt verkopen. Om kwart over acht staat een mevrouw met kort kapsel, wit hemd en bruine driekwartsbroek al voor het toiletgebouw te wachten. De armen over elkaar. Ze ontvangt als het ware de laatkomers, die na haar aansluiten.

Wanneer een kwartier later de donkerblauwe bus van de bakker het erf op rijdt, heeft zich een rij van een man of twintig gevormd. Een man, jaar of zeventig met een groen geruit overhemd en bril, passeert de rij. ‘Goedemorgen allemaal’ mompelt hij binnensmonds. Waarschijnlijk een vaste gast.

Vlaaien, speltbrood, wit brood, bruin brood, krentenbollen. Alles wat haar man vanochtend vol passie bakte, wordt uitgestald door de bakkersvrouw. De mevrouw vooraan de rij kan een kleine doch triomfantelijke glimlach niet onderdrukken.

Het wachten beloond.


Sergio

Castiglione di Sicilia

‘Arjen!’ Grijze haren op zijn slapen; diep donkerbruine ogen kijken mij trouw aan. Sergio, de tuinman. Nog geen twee dagen geleden kwam ik hier aan. Het is net of ik hier al weken ben. Gistermiddag stond hij nog aan de voordeur met een vers ganzenei. Vanochtend plant hij nieuwe bloemen in onze border. ‘Alle cinque?’ vraagt hij. ‘Sì, buono.’ antwoord ik in mijn brakke Italiaans. We hebben een afspraak vanmiddag in ‘zijn’ Francavilla di Sicilia. Een gehucht met nog geen 5000 inwoners. Al 37 jaar zijn woonplaats.

Het is even zoeken naar de kiosk bij de kerk, Bar Chiosco. Sergio leunt over zijn gedeukte witte Peugeot. Haren gewassen, schone spijkerbroek aan en een frisse gestreepte trui. Ook Antonietta, zijn hoogzwangere echtgenote, is meegekomen. ‘Parcheggiare la macchina nel parcheggio.’ We parkeren aan de overkant. Zijn broer is politieagent in het dorp, dus zal wel een oogje in het zeil houden. We gaan eerst even een ‘giro’ maken door het dorp. Alsof het Rome zelf is.

Antonietta maant Sergio te parkeren terwijl hij zijn gasten eigenlijk niet wil laten lopen. We nemen hem niets kwalijk. In de lokale ijssalon wordt ons granita aangeboden. ‘Di limone, fragola, caffè?’ We doen ons tegoed aan het ijskoude goedje terwijl de lokale jeugd de gelateria overneemt. Het is half zes, de scholen zijn net uit. Vandaar. Met handen en voeten nemen we voetbal, familie en Sicilië door. Zijn nichtje Isabella komt kennismaken en ook zij krijgt een ijsje van haar hartelijke oom. Pistache en chocolade; goede keuze.

Terwijl de uitbater van de ijssalon -met één hand in een mitella- de tafels afruimt, vraag ik of ik nog een koffie kan aanbieden. Geen sprake van! Wij zijn zijn gasten en niet andersom. ‘Andiamo.’ We gaan nog een kleine tour door het dorp maken. We worden gewezen op het museum. De bibliotheek. De links én rechts geparkeerde auto’s. De gaten in de weg.

Boven op de heuvel bezetten een vijftal dames op leeftijd de trappen van de kerk. De Etna rookt in de verte. Buurdorp Castiglione di Sicilia is een silhouet tegen de laaghangende zon. Sergio wijst het met veel liefde aan. Op weg naar beneden worden enkele beleefdheden uitgewisseld met een oudere dame op haar balkon. Een flinke bos grijs haar, haar huid van leer. ‘Una vera signora siciliana,’ aldus Sergio.

We rijden nog langs het kapucijnenklooster en zijn huis, het balkon uiteraard met veel planten. Ook worden we gewezen op waar vrijdag de markt zal zijn. Tot waar deze precies reikt zijn Sergio en Antonietta het niet geheel eens, maar dat we de markt moeten bezoeken staat buiten kijf.

We worden netjes afgezet op de parkeerplaats. Een stevige hand en drie dikke zoenen volgen. ‘Piacere’, prettig kennis te hebben gemaakt.

‘A domani.’