Veilige haven

Range Rover Vogue

Begin oktober. Mijn twee vrienden en ik zitten in strakke broekjes in de volle zon. Begin van een nieuwe fase, wielrennen op zondag. Locatie van onze rustplaats restaurant Veilige Haven te Loosdrecht. Onze fietsen staan veilig in het zicht, terwijl onze bestelling wordt opgenomen. Drie maal de twee kroketten op brood.

Aangezien het restaurant net geopend is, is het personeel drukdoende met het bevoorraden en het installeren van het terras. Verder heerst er een serene rust. Het water een spiegel, het klasje dat ondanks het gebrek aan wind verderop zeilles krijgt en de wijnglazen aan de waterkant die schitteren in de zon.

Er loopt een vrouw het terras op. Lang, blond haar, slanke kuiten in zwarte panty’s en een grote zonnebril op. Op enorme zwarte naaldhakken loopt ze beheerst via vlonder richting waterkant. In de zwakke wind fladdert de onderkant van haar lichte groenblauwe jurk op. Ondanks de drukke print een rustig beeld.

‘Cesar!’ is er naast ons te horen. Het vermoeden dat iemand hier zijn rottweiler maant. Een man, veertiger, komt het hoekje omgelopen. ‘Sensa, een klein Italiaans fietsfabriekje, mooi hoor.’ Hij doelt op mijn racefiets. ‘Jullie zijn een rondje aan het fietsen?’ vraagt hij op een toon alsof we voor een baas werken. Dat wij net aan het eten zijn maakt hem niet uit. Hij komt pontificaal voor onze tafel staan. Met zijn rug naar de zon, zodat wij daar pal tegenin kijken.

Een vriend van mij besluit een voor de hand liggende vraag te stellen. ‘Jullie komen hier even lunchen?’ Voordat de donkerblonde man met grote zonnebril en grijze bordeelsluipers antwoord geeft, rekt hij zich eens flink uit en stopt zijn maathemd netjes in zijn getailleerde jeans. Hij draagt zijn donkerblauwe blazer nonchalant over de arm. ‘Nee, we hebben hiernaast gezeten. Daar zit een goede keuken. We komen hier eens even kijken.’

Hij informeert naar onze woonplaatsen en vertelt ongevraagd over een feest dat hij gisteren in Woerden heeft gehad. Dan is het afgelopen. Hij trekt zijn jasje aan en verdwijnt zonder afscheid te nemen. Hij voegt zich bij de vrouw aan de waterkant. In stilte zoeken de twee een plekje uit ons zicht.

Even later komt de ober naar buiten gelopen met een glas witte wijn en een coupe champagne. De jongeman komt niet terug. Het is duidelijk te horen dat er beslag op hem is gelegd. Er wordt gelachen om eigen grappen.

Wanneer de kroketten zijn afgerekend en we richting fietsen lopen staat er, op de verder lege parkeerplaats, een smetteloos witte Range Rover Vogue met Belgisch kenteken half voor de ingang geparkeerd. Ik besluit nog even richting waterkant te lopen.

Hij op zijn stoel strategisch in de zon. Zij half in de schaduw. Terwijl zij de bubbels in haar glas ziet opborrelen inspecteert hij grondig zijn nagelriemen. Wanneer hij opnieuw de ober gebaart, weet ze dat ze goed zit.

Een veilige haven.


Jordaan

FinchHij is niet de enige in pak in café Finch. Zenuwachtig kijkt hij om zich heen. Het is oké als ik mijn jas over de barkruk naast hem drapeer. Ik schat zo in dat hij die had voorzien voor de dame waarop hij aan het wachten is. Hij begint de moed op te geven. Na nog enkele schichtige blikken naar buiten houdt hij het voor gezien.

Normaalgesproken behoort een bonnetje tot de mogelijkheden. Vanavond alleen niet. Ik moet gelijk bij het bestellen bij haar afrekenen. Bij het meisje met de rode lippenstift achter de bar. Ook goed, dan maar boter bij de vis. Om ons heen uitsluitend laat-twintigers, begin-dertigers. Haren zorgvuldig gekapt, de baarden getrimd en veel oog voor hun omgeving. Het café is drukbezet voor een donderdagavond. Gesprekken worden luid gevoerd.

Eten doen we niet veel verderop. Bar Boca’s aan de Westerstraat. De gemiddelde leeftijd ligt hier iets lager dan bij Finch. Op een paar bruinverbrande heren in pantalon en wit overhemd aan de bar na. De Duitse ober informeert of we iets willen drinken. Hij wil graag dure wijn verkopen: ‘Geen Pinot Grigio!’ Chardonnay-Viognier wordt het.

Naast ons ontvouwt het concept zich. Een plateau vol fingerfood. Een beetje vis, een beetje vlees. Patat van vergeten groenten, blije mensen, goed leven. Truffelmayonaise, dat werk. Aan de hoge tafels langszij een stel dat nog maar eens hun facebook time lines op hun telefoons doorneemt. De vier dames aan een andere tafel verlaten om het halfuur de zaak voor een gemeenschappelijke rookpauze. Pakje Marlboro Gold in de ene hand, iPhone in de andere. Rood gestifte lippen en modieus gekleed gaan ze.

Voorin het restaurant een apart gezelschap. Een tiental mannen en één meisje. Een bedrijfsuitje? Hoe dan ook, na een minuut of tien wordt mijn tafelgenoot door haar benaderd. Goudkleurige satijnen blouse, leren broek en een stralende lach. Ze vraagt of hij een foto van hen wil maken. Met haar Blackberry. Ze is hem dankbaar.

Naast ons wordt muntthee met honing en caffe latte besteld. Maar na een goed maal is een dessert voor ons overbodig. Liever een biertje. Jupiler, met het logo naar ons toe geserveerd. Premium ervaring.

We worden door twee dames uitgenodigd om verderop nog wat te gaan drinken. ‘Is Finch misschien leuk?’ stellen ze voor.

Ik besluit verder te lopen richting station, mijn tafelgenoot achterlatend.

De Jordaan uit.

Bocas


Waasdorp, over een zwijgzame Japanse chef

Een mistroostige gemeente. Daarom het perfecte decor voor een film, moet IJmuidenaar Alex van Warmerdam hebben gedacht bij het regisseren van zijn film ‘Ober’. Hij weet vast ook dat het anders kan. Zeevishandel N. Waasdorp op zaterdagmiddag bijvoorbeeld. Het is ook deze week een drukte van jewelste aan de Halkade. Lange rijen voor de kibbeling, de lekkerbek, maar vooral voor de visvingers. IJmuiden kent weinig fijnproevers. De dames van de viswinkel hebben hun namen in gouden letters aan hun kettingen hangen. Hun oorbellen zijn gigantisch.

Op speciale dagen worden rode poon en paling in een oliedrum voor de deur gerookt. Voor de beleving reken je af bij iemand in klederdracht. De picknicktafels zijn bij mooi weer druk bezet. Alleen regent het altijd in IJmuiden. Het klassieke beeld dat rest: stellen van middelbare leeftijd die, gezeten in hun Opel Meriva, hun bakje kibbeling – óf visvingers – verorberen. Een serieuze bezigheid waarbij meestal nauwelijks wordt gesproken. Zeker aan het einde van een wintermiddag, bij de eerste schemering, de meeuwen op de achtergrond op zoek naar visresten; een beeld dat ‘The birds’ van Hitchkock doet verbleken.

Ik vergeet bijna te zeggen dat Waasdorp een hele mooie zaak is. Een mooie zaak die ook zeker meer te bieden heeft dan vet gebakken vis. Behalve een flinke vitrine met klassiekers als paling en haring, een flinke koel-/vrieswand met ingevroren sint-jakobsschelpen, kreeft en king’s crab. Daarnaast twee flinke planken met ijs met de vangst van de dag (schol, griet, tarbot, wijting, zeewolf, rode poon, noem maar op). Maar het allermooiste in deze drukte is toch wel de Japanse sushi chef. In zijn geïmproviseerde keukentje te midden van al dit geweld rolt hij met hypnotiserende handbewegingen maki’s, nigiri’s en hand rolls. Volgens mij spreekt hij geen Nederlands. Sterker nog, volgens mij spreekt hij helemaal niet. Als een zwijgzame Zen master rolt hij zijn visdelicatessen die geen sterker contrast met de rest van de zaak, haar medewerkers en gasten had kunnen vormen. ‘Eén bakje visvingers, alstublieft.’


Harm’s viskiosk

Zaterdagse kost, een visje halen. Bij het Julianapark staan ze. Tegenover de Hema. Ooit in een bouwkeet, inmiddels een kraam. Een kiosk eigenlijk. Harm en Nel, samen in Harm’s viskiosk. Een klein opstapje, grijs linoleum op de vloer, gordijntjes voor de ramen. Achter de vitrine het bekende werk, scholletjes, rolmops, aardappelsalade. Ook een gigantisch blik met zure bommen. De aanbiedingen van de week – elke week hetzelfde – staan met krijt op het bord. Alleen de paling wordt steeds duurder. Het is druk. Ook deze week.

De meeste bezoekers komen hier al jaren. Ze weten dat Nel aardig lang van stof kan zijn. Vaak wippen ze kort binnen, Nel registreert hun aanwezigheid, het “Weer het bekende recept?” wordt bevestigend beantwoord en men gaat door voor andere boodschappen. Even naar de Blokker, de Haarlemse bakker of de Witte Vleeshal alvorens het bestelde in de viskiosk op te halen. De scholletjes en lekkerbek nog warm, de paling voor bij de borrel apart verpakt. Net als de uitjes en het zuur, voor wie dat wilt.

Vanachter haar vette bril kijkt Nel je aan. Die bril die zo prettig rust op haar gerimpelde maar vrolijke wangen. Haar stem doorrookt, maar o zo hartelijk. Harm met eveneens vet haar en een vette bril en altijd met de mouwen van de donkerblauwe fleecetrui opgestroopt. Op zijn linker onderarm een anker getatoeëerd: klassiek. Sterk op elkaar ingespeeld, die twee. De rolverdeling is duidelijk. Dat moet ook wel op de krappe drie vierkante meter achter de vitrine. Nel de bestellingen, haring en de broodjes, Harm vis fileren, de frituur en de bevoorrading.

Gelukkig zijn ze, immer op de hoogte over wel en wee van vaste bezoekers. Met de wachtenden worden vooral publieke werken – “Alweer gedoe in de Cronjéstraat” – en het weer besproken. Is het zomer, dan te warm, is het winter, veel te koud, daar tussenin: regen! Altijd een beetje narrig naar elkaar. Dat moet ook wel op de krappe drie vierkante meter achter de vitrine. “Is die haring nu eens klaar?”, “Heb je die kibbeling nu nog niet in het vet?”, “Werk nu maar een beetje door!”

Na twee jaar begin ik een vage bekende te worden. Althans dat hoop ik. Nog altijd vraagt Nel of de kibbeling en de broodjes haring in een tasje moeten. “Gaat zo mee, ik woon om de hoek.“


Wokken

Het is al wat laat. Een uur of acht. Het hele familieweekend regent het al en tot overmaat van ramp kamperen we. In Almere. Na een lange rit door de Flevopolder bereiken we Ermelo. Naast McDonald’s staat restaurant ‘Wok Inn’. Het systeemplafond heeft gouden biesjes. Er ligt een hoogpolig tapijt met diepe slijtplekken en er brandt felle verlichting. Voor de deur wordt flink gerookt. ‘Of we gereserveerd hebben?’ vraagt de Chinese gastvrouw. Nee, dat niet. Het restaurant telt nog minstens veertig lege stoelen; een ietwat overbodige vraag. We zijn met een grote groep en dit schijnt hét te zijn. Voor de één geweldig, voor de ander een culinaire nachtmerrie.

Het concept is simpel. Een vast bedrag per persoon. Drank reken je apart af. Tal van Aziatische etenswaren zijn te vinden aan de lange buffetten. Chinese bekenden als de babi pangang, foe yong hai, maar ook salades, sushi en alles voor een straffe Aziatische roerbak. Wanneer ingrediënten verzameld zijn, overhandigt men deze aan een zeer slecht verstaanbare kok en kiest een saus. Ketjap, Hoisin, Soja wat al niet meer.

Op de grillplaat worden behalve saté exotischer gerechten als kangoeroe en kikkerbilletjes bruingebakken. Ondertussen schuifelen de Chinese serveersters als geisha’s door de zaak om drankbestellingen op te nemen en te brengen. Publiek is luidruchtig wanneer voor de ‘All-in’ optie is gekozen. Meer ingetogen zijn de mensen die hun drankjes apart afrekenen. Kinderen jengelen door de zaak, vervelen zich zichtbaar en spelen vooral mét hun eten.

Het is actief eten. Na iedere ‘gang’ volgt een korte wandeling. Hierdoor ontmoet je de andere gasten. Weinig finesse. Mensen verkleden zich niet voor een bezoek aan ‘de wok’. Truien en spijkerbroeken bepalen het modebeeld. Daarbij is het licht boven de tafels te fel. Ongezellig.

Teveel keuze en weinig talent voor het sluiten van compromissen maakt dat de gemiddelde bezoeker van ‘Wok Inn’ teveel eet. Toch vindt het dessertbuffet gretig aftrek. Felgekleurd ijs, fruit uit blik, taartjes en slagroom naar eigen gewenste hoeveelheid gaan in grote borden door het restaurant. Kinderen leven op aan het eind van de avond. Fijn voor de ouders. Of zoals ze bij ‘Wok Inn’ zelf zeggen: lekker eten en drinken zonder dat u op uw geld hoeft te letten.


’t Schip

Een druilerige zondag in oktober. Op jacht naar een keuken voor ons nieuwe huis. De Beverwijkse Zwarte Markt kent behalve kraampjes met kruiden, cd’s, Dvd’s en autoradio’s ook een hoge concentratie aan keukenzaken. Het dieptepunt ervaren we bij de Keukenconcurrent. Een verhaal op zich. In elk geval stemmen de donkere wolken somber. Beverwijk is een zielloze stad en maakt weemoedig. Het is inmiddels half drie en we hebben honger.

Gelukkig is daar ’t Schip. Ooit, zo stel ik mij voor, was Beverwijk een trotse stad. Een stad met een haven. Aan het begin van de 20e eeuw is een deel van de haven gedempt. ’t Schip lag er toen al, ten tijde van het dempen. En ’t Schip ligt er nog steeds. Niet meer trots, eerder trouw. Een trouwe vriend voor hongerige magen.

Via de loopbrug betreden wij het pannenkoekenschip. Via het kleine deurtje stappen wij binnen. Bruine vloerbedekking, donkere houten stoeltjes, modelbootjes, rode tafelkleedjes en potten stroop op de tafels. We zijn niet de eerste gasten van deze middag. Iets verderop zitten twee mannen aan het enige lage tafeltje van de boot. Beiden in het zwart gekleed, één met een veel te ruim vallend colbert en een flinke gouden ketting. Kringen rook stijgen op vanuit de metalen asbak en de longdrinks voor hun neus bevatten cola met een ruime tic. Wat er besproken wordt is niet te horen, de zware velours gordijnen dempen alle geluiden.

Grote gouden geringde oorbellen heeft ze en onder haar schort door is net een reepje blote buik te zien. Ze overhandigt een vette geplastificeerde kaart. Het begint harder te regenen en ik voel een koortsachtig gevoel opkomen. Vanachter de patrijspoort zie ik de druppels opspatten in deze eens zo veelbetekenende aardappelhaven. Een pannenkoek met spek zal mij goed doen.